Conclusie
Het eerste middel
Ten aanzien van feit 1
Een proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2017, met documentcode AMB-004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (pagina 038 tot en met 040).
Een proces-verbaal van bevindingen van 7 juli 2017, met documentcode AMB-011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (pagina 077 tot en met 083).
Een proces-verbaal van bevindingen van 10 juli 2017, met documentcode AMB-036, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (pagina 181 tot en met 186).
Een proces-verbaal van bevindingen van 12 juli 2017, met documentcode AMB-038, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (pagina 190 tot en met 192).
Een proces-verbaal van bevindingen van 19 juli 2017, met documentcode AMB-042, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (pagina 201 tot en met 203).
Een geschrift, zijnde een standaardformulier Melding Faillissementsfraude, met documentcode DOC-002 (pagina 874 tot en met 878).
Een geschrift, zijnde een geprinte e-mail van [e-mailadres 1] @hotmail.com ( [verdachte] ) van 21 maart 2016 aan [betrokkene 19] , met documentcode DOC-003 (pagina 879 - 880).
Een geschrift, zijnde een kopie van de ABN AMRO betaalpas met rekeningnummer [007] en pasnummer [...] t.n.v. [betrokkene 3] en [G] met documentcode DOC-008 (pagina 930).
Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 10 februari 2017 betreffende [G] met documentcode DOC-009 (pagina 931 tot en met 932).
Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 6 maart 2017betreffende Vof [G] , met documentcode DOC-010 (pagina 933).
Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 10 februari 2017betreffende eenmanszaak [G] , met documentcode DOC-011 (pagina 934).
Het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2015 betreffende de faillietverklaring van [G] , met documentcode DOC-012 (pagina 935 - 936).
Een geschrift, zijnde een overzicht van bankmutaties op bankrekeningnummer [007] t.n.v. [G] van 26 oktober 2014 tot en met 31 december 2015, met documentcode DOC-013 (pagina 937).
Een geschrift, zijnde een brief van [betrokkene 20] van 16 maart 2016 aan [G]B.V. t.a.v. [verdachte] , met documentcode DOC-034 (pagina 982 tot en met 984).
Een geschrift, zijnde een overzicht van bankmutaties op bankrekeningnummer [008] t.n.v. [betrokkene 3] h/o [G] van 1 januari 2014 tot en met 29 april 2016, met documentcode DOC-036 (pagina 1020).
Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 4 juni 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, [verbalisant 3] en [verbalisant 1] , beiden opsporingsambtenaar en rechercheur, werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD, met documentcode V-001-003 (pagina 651 tot en met 667).
1:
0.2Voorwaardelijk opzet is in dit verband voldoende. Daarom is voor het bewijs van dit opzet ten minste vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon heeft doen ontstaan.
3Niet hoeft komen vast te staan dat de rechten van de schuldeisers ten gevolge van het handelen van de verdachte daadwerkelijk zijn verkort.
4Daarnaast doet het niet of onvoldoende voeren van een administratie niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers ontstaan. Indien op basis van de bewijsvoering kan worden vastgesteld dat van een dergelijke aanmerkelijke kans wel sprake zou zijn geweest, volgt daaruit nog niet dat de verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.
5
6Het door het hof vastgestelde en door de stellers van het middel bestreden ‘vol opzet’ blijkt genoegzaam uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.
III. Het tweede middel
Wettelijk kader
7Met die wetswijziging zijn de in art. 343, aanhef en onder 4°, (oud) Sr strafbaar gestelde gedragingen – die kort gezegd inhouden het opzettelijk niet-voldoen aan de administratie-, bewaar- en/of afgifteplicht – ondergebracht in het nieuwe art. 344a Sr. De artikelen 343 en 344a Sr luiden sindsdien, voor zover hier van belang:
8
9Dat betekent dat niet hoeft te worden getoetst aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten. Ook eventueel door de wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen art. 7 EVRM Pro, art. 15, eerste lid, en – voor zover van toepassing
10
11Omdat per 1 juli 2016 de regels van het sanctierecht ten gunste van de verdachte zijn veranderd, had het hof wat betreft (kort gezegd) de administratie- en bewaarplicht er blijk van moeten geven van het uit art. 344a Sr voortvloeiende mildere sanctieregime met een strafmaximum van vier jaren gevangenisstraf te zijn uitgegaan en had het dit artikel dus bij de toepasselijke wettelijke voorschriften moeten vermelden.
12
13
IV. Het derde middel
Tenlastelegging, bewezenverklaring, bewijsvoering en kwalificatie
Stb.2006, 475). De vierde nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat tot deze wet heeft geleid, houdt onder meer het volgende in:
II2005/06, 29 708, nr. 19, p. 356-357)
14
15
NJ2021/48 (Hawalabankieren), m.nt. Vellinga kwam het cassatiemiddel in de eerste plaats op tegen de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde voor zover inhoudend dat van het plegen van (hawala)bankieren zonder vergunning “een gewoonte” was gemaakt doordat “meermalen” het bedrijf van betaaldienstverlener was uitgeoefend. Aan deze bewezenverklaring had het hof blijkens zijn bewijsoverwegingen kennelijk ten grondslag gelegd dat de verdachte in de tenlastegelegde periode van drie maanden “om de twee à drie dagen” contante geldbedragen betaalbaar had gesteld. Het hof had het bewezenverklaarde vervolgens gekwalificeerd als “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan terwijl hiervan een gewoonte is gemaakt”. Dit leverde (en levert) een economisch delict op (art. 1, aanhef en onder 2°, WED). Het middel was gegrond. De Hoge Raad overwoog dat uit de betreffende wetsgeschiedenis naar voren komt dat voor het bewijs van het “uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener” in ieder geval is vereist dat de desbetreffende betaaldiensten “niet slechts incidenteel” zijn verleend en dat het verlenen van betaaldiensten dus meermalen heeft plaatsgevonden. De enkele omstandigheid dat de verdachte in deze periode meermalen betaaldiensten had verleend en zich aldus schuldig had gemaakt aan het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener, volstaat niet voor het oordeel dat de verdachte van de uitoefening van dat bedrijf ook een gewoonte had gemaakt, aldus de Hoge Raad. De bewezenverklaring was daarom ontoereikend gemotiveerd.
16
17te lezen: “Onder gewoonte pleegt men te verstaan een pluraliteit van feiten die niet slechts toevallig op elkaar volgen, maar onderling in zeker verband staan en wel (objectief) wat de aard van de feiten betreft, en (subjectief) wat de psychische gerichtheid van de dader aangaat: de neiging om telkens weer zo'n feit te begaan”. Daarmee overeen komt de omschrijving van gewoonte in
Handelingen II2000/01, 27 159, p. 59-4236: “Een herhaling van feiten waaruit de subjectieve neiging van de dader blijkt het feit steeds te begaan”. Toenmalig A-G Bleichrodt meent in zijn conclusie van 28 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1469 dat aan het bewijs van ‘gewoonte’ geen zware eisen lijken te worden gesteld. Tot adstructie haalt hij
Handelingen II1927/28, 60, nr. 1, p. 4 aan, waarin minister van Justitie Donner bij de introductie van de
18Bleichrodt vervolgt, ik citeer: “De omstandigheid dat binnen een bepaald tijdsbestek meermalen hetzelfde strafbare feit is begaan, kan voldoende zijn voor het bewijs van de gewoonte. Er is geen minimumduur waarbinnen het desbetreffende strafbare feit moet zijn begaan. Evenmin lijkt er een groot aantal ten laste gelegde handelingen te zijn vereist om van een gewoonte te kunnen spreken, al zal het om minimaal twee handelingen moeten gaan.” Eerder was advocaat-generaal Aben al begripsmatig op het delictsbestanddeel ‘gewoonte’ ingegaan. Mijn voormalige ambtgenoot Vellinga haalt in zijn conclusie van 1 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1244 met instemming het volgende uit de conclusie van Aben d.d. 11 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:793 aan: “Bij een herhaling van delicten die door een herhaling van feitelijke handelingen tot stand komt, en waarbij telkens de intentie of de neiging het desbetreffende delict te plegen tot uitdrukking wordt gebracht, kan die herhaling onder omstandigheden worden aangemerkt als ‘het maken van een gewoonte’ van het plegen van de bedoelde delicten. Wat betreft de vereiste duur van de periode waarin deze herhalingen optreden is niet zonder meer een ondergrens gegeven. Een gewoonte kan zich zelfs hebben gemanifesteerd indien de betreffende handelingen hebben plaatsgehad binnen een tijdsbestek van twee weken. Een hoge frequentie in een korte periode kan eventueel een gewoonte opleveren, terwijl een lage frequentie in een lange periode wellicht nog niet kan worden geduid als een gewoonte. De vastgestelde omstandigheden zijn telkens doorslaggevend.”
19
20
NJ2021/48 (Hawalabankieren):
beroepis volgens De Graaf, in navolging van Machielse,
21bepalend vooral het oogmerk van de verdachte om het strafbare feit te herhalen om zich op die manier een bron van inkomsten te verschaffen.
22Dat laat ruimte voor zowel incidenteel als niet-incidenteel handelen. De intentie van de verdachte wordt in de overwegingen van het meergenoemde arrest van 1 december 2020 niet genoemd. De Hoge Raad refereert overwegend aan de betreffende wetsgeschiedenis. Vellinga lijkt in zijn noot onder dit arrest ook in een geval als het onderhavige evenwel enig oog te hebben voor de intentie van de verdachte:
23
24Welnu, uit de bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 (zie randnummer 31) kan worden afgeleid dat de feitelijke werkzaamheden overwegend werden verricht in Amsterdam. Dat het geld contant zou zijn aangeleverd door [...] boeren met het verzoek dit per bank over te boeken, doet daaraan niet af. Dat zijn immers geen opdrachten die betrekking hebben op de uitoefening of aansturing van de betaaldienstverlening.
25