ECLI:NL:PHR:2013:917
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing financiële appelgrens bij huurvordering na eisvermindering in kort geding
In deze zaak stond de vraag centraal of de financiële appelgrens van artikel 332 lid 1 Rv Pro ook van toepassing is op een vordering voortvloeiend uit een huurovereenkomst die na eisvermindering in eerste aanleg minder dan € 1.750 bedroeg. De kantonrechter had eiser veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 178,50 en proceskosten. Eiser ging in hoger beroep, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk omdat de appelgrens niet werd overschreden.
Eiser stelde in cassatie dat de appelgrens niet geldt voor vorderingen die tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoren en dat het hof ten onrechte voorbijging aan het belang dat eiser had bij vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat de appelgrens wel degelijk geldt, ongeacht de aard van de zaak, en dat het hof terecht niet-ontvankelijkheid heeft vastgesteld.
De Hoge Raad benadrukte dat de appelgrens is ingesteld om te voorkomen dat geringe financiële belangen leiden tot onnodige kosten en vertraging in hoger beroep. Het belang dat eiser stelde was onvoldoende om af te wijken van deze regel. De conclusie van de Procureur-Generaal was tot verwerping van het cassatiemiddel gericht.
Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet overschrijden van de financiële appelgrens van € 1.750.