ECLI:NL:HR:2002:AD9594

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/216HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • J.B. Fleers
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
  • P.C. Kop
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 Wet op de rechterlijke organisatie (oud)
Verwijzingen
2 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hoger beroep gemeente wegens onbevoegdheid kantonrechter in erfpachtgeschil

De gemeente vorderde betaling van een restant erfpachtcanon van ƒ 1.220,71 van eiser, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. De kantonrechter wees de vordering af wegens een onaanvaardbare verhoging van de canon. De gemeente stelde hoger beroep in bij de Rechtbank, die de kantonrechter onbevoegd verklaarde en de zaak verwees naar het gerechtshof. De Hoge Raad oordeelde dat de Rechtbank ten onrechte het hoger beroep ontvankelijk had verklaard, omdat de waarde van de vordering onder de competentiegrens van de kantonrechter bleef, waardoor hoger beroep niet openstond.

De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de Rechtbank en verklaarde de gemeente niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter. Tevens veroordeelde de Hoge Raad de gemeente in de proceskosten van hoger beroep en cassatie. De zaak betrof een geschil over de hoogte van de erfpachtcanon over 1994, waarbij de kantonrechter bevoegd was om te oordelen over de vordering.

De uitspraak benadrukt het belang van de juiste competentiegrens bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van hoger beroep en bevestigt dat de kantonrechter bevoegd blijft zolang de vordering onder de grens blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de gemeente niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter.

Uitspraak

19 april 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/216HR
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.H. van der Woude,
t e g e n
DE GEMEENTE ASTEN, gevestigd te Asten,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: de gemeente - heeft bij inleidende dagvaarding van 15 april 1996 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - opgeroepen voor de Kantonrechter te Helmond en gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van ƒ 1.220,71, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 mei 1995 en kosten.
[Eiser] heeft een incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid genomen.
Na verweer zijdens de gemeente heeft de Kantonrechter bij vonnis van 13 december 1996 in het incident zich bevoegd verklaard van de vordering kennis te nemen en de hoofdzaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.
[Eiser] heeft in de hoofdzaak de vordering bestreden.
De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 12 december 1997 een comparitie van partijen gelast en bij eindvonnis van 11 september 1998 de vordering afgewezen.
Tegen dit eindvonnis heeft de gemeente hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch.
Bij vonnis van 28 april 2000 heeft de Rechtbank de Kantonrechter onbevoegd verklaard en de zaak ter verdere berechting naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch verwezen.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen gemeente is verstek verleend.
[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 28 april 2000 en tot afdoening door de Hoge Raad als in de conclusie onder 2.11 aangegeven.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De gemeente heeft [eiser] een nota ten bedrage van ƒ 12.856,63 gestuurd ter zake van de over het jaar 1994 verschuldigde erfpachtcanon, welke nota door [eiser] tot een bedrag van ƒ 11.635,92 is voldaan. Het restant ten bedrage van ƒ 1.220,71, door [eiser] beschouwd als een ontoelaatbare verhoging van de canon, heeft [eiser] niet betaald. De gemeente heeft voor de Kantonrechter betaling gevorderd van dit restantbedrag, vermeerderd met de wettelijke rente sedert 18 mei 1995, alsmede met de kosten. De Kantonrechter heeft deze vordering afgewezen op de grond dat het een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare verhoging van de canon betreft.
In hoger beroep heeft de Rechtbank de Kantonrechter onbevoegd verklaard. Naar het oordeel van de Rechtbank kon de Kantonrechter geen uitspraak doen over de vraag of [eiser] over 1994 nog de restant-canon als gevorderd verschuldigd was, zonder uitspraak te doen over de hoogte van de verschuldigde canon, waarmee de rechtsstrijd loopt over een bedrag dat de competentiegrens van de kantonrechter overschreed. Niet de Kantonrechter, maar de Rechtbank was derhalve de bevoegde rechter, hetgeen meebrengt dat het Gerechtshof appelrechter is.
3.2 In het middel wordt in de eerste plaats aangevoerd dat de Rechtbank, door te oordelen dat de gemeente in haar hoger beroep ontvankelijk is, heeft miskend dat de vordering waarover de Kantonrechter had te vonnissen, niet meer bedroeg dan ƒ 2.500,--, zodat hoger beroep niet openstond.
3.3 Deze klacht is gegrond. De Rechtbank heeft de appellabiliteit van het vonnis van de Kantonrechter beoordeeld aan de hand van diens bevoegdheid. Bepalend voor het antwoord op de vraag of tegen het vonnis van de Kantonrechter hoger beroep openstond, is echter uitsluitend de waarde van de vordering waarover de Kantonrechter diende te oordelen. Gevorderd werd een bedrag dat, vermeerderd met de tot de dag van de dagvaarding vervallen wettelijke rente, lager lag dan het in artikel 38 (oud) RO genoemde bedrag van ƒ 2.500,--. Tegen het vonnis van de Kantonrechter stond derhalve geen hoger beroep open.
3.4 De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 28 april 2000;
verklaart de gemeente niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van de Kantonrechter te Helmond van 11 september 1998;
veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [eiser] begroot op € 512,77, en in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 325,01 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 19 april 2002.