Conclusie
[verdachte]
middelklaagt over de bewezenverklaring van de drie feiten.
LJNAD4320,
NJ2002/262 wordt gesteld dat er sprake moet zijn van “bedrieglijke handelingen, geschikt om leugenachtige voorwendsels en valse voorstellingen ingang te doen vinden en daaraan kracht bij te zetten”. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn volgens de steller van het middel gesteld noch gebleken. Ten slotte zou uit de bewijsmiddelen niet kunnen worden afgeleid dat een niet lichtgelovige koper, die de nodige voorzorgsmaatregelen in acht neemt, tot de koop zou zijn overgegaan.