Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
vijf onderdelen(a t/m e, nader uitgewerkt in klachten II t/m VI).
Onderdeel a met uitwerking in IIklaagt dat het hof in rov. 3.7 van het bestreden arrest heeft miskend dat het moment waarop het deskundigenrapport beschikbaar is, niet bepalend is, ook niet voor het aannemen van de uitzondering in art. 7:629a lid 2 BW. Dit onderdeel valt uiteen in twee rechtsklachten, namelijk
II.1, dat tijdsverloop geen reden kan zijn voor verwerping van een beroep op de uitzondering van lid 2 en verder, in
II.2, dat het uitgangspunt van het hof dat efficiëntie en dynamiek van het re-integratieproces één van de doelen van art. 7:629a BW zou zijn, niet volgt uit de tekst en totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling.
Onderdeel b met uitwerking in IIIvoert aan dat het hof in rov. 3.8 heeft miskend dat [eiser] omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat overlegging van een second opinion redelijkerwijs niet van hem gevergd kon worden en dat het daarmee ook heeft miskend dat de rechter daarover tevens op andere wijze kan worden geïnformeerd, zodat de tweede uitzondering van art. 7:629a lid 2 BW opgaat. In
onderdeel c met uitwerking in IVvoert [eiser] aan dat het hof in rov. 3.9 en 3.10 heeft miskend dat, naast verzekeringsarts Schoorl, ook bezwaarverzekeringsarts Hoffman bij uitstek de informatie kon verschaffen die nodig was voor de vraag of [eiser] in staat was de aangeboden werkzaamheden te verrichten.
Onderdeel d met uitwerking in Vricht zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.9 en 3.10 dat bezwaarverzekeringsarts Hoffman niet de benodigde informatie heeft verschaft voor het antwoord op de vraag of [eiser] in staat was de aangeboden werkzaamheden te verrichten. In de vorm van een subsidiaire cassatieklacht wordt in
onderdeel e met uitwerking in VIaangekaart dat het hof heeft miskend dat de sanctie voor het ontbreken van een second opinion in de zin van art. 7:629a lid 1 BW niet-ontvankelijkheid moet zijn en niet het afwijzen van de vordering, zoals het hof heeft gedaan.
II.1dat het tijdsverloop geen reden of grondslag kan zijn voor het niet aannemen van de uitzondering genoemd in art. 7:629a lid 2 BW. Ter ondersteuning wijst de klacht op HR 5 oktober 2001 (ICM/Huis), ECLI:NL:HR:2001:ZC3667, NJ 2001/633, JAR 2001/216. Het onderdeel klaagt verder in
II.2dat het uitgangspunt van het hof, dat de efficiëntie en de dynamiek van het re-integratieproces één van de doelen van art. 7:629a BW zou zijn, geen steun vindt in de tekst van art. 7:629a BW of in de parlementaire geschiedenis van deze bepaling. Althans, zo staat in onderdeel
II.2.3, heeft het hof dit alles hetzij miskend, hetzij heeft het zijn gedachtegang hieromtrent met onvoldoende redenen omkleed - een motiveringsklacht als sluitstuk van onderdeel
II.2derhalve.
uit II.1kan volgens mij niet slagen. Het mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet miskend dat tijdsverloop geen reden of grondslag kan zijn voor het niet aannemen van de uitzondering in art. 7:629a lid 2 BW, zoals dit onderdeel ingang wil doen vinden. Tijdsverloop is inderdaad één van de elementen die de feitenrechter kan betrekken in de beoordeling van de vraag of in redelijkheid niet van de werknemer gevergd kon worden een deskundigenverklaring te overleggen [33] . Maar het hof heeft niet het enkele feit dat een second opinion verzoek laat wordt gedaan doorslaggevend geacht, zoals het onderdeel suggereert, wel dat zoiets (“in beginsel niet te verenigen”) bezwaarlijk kan zijn. Het hof heeft ook HR 5 oktober 2001 (ICM/Huis), ECLI:NL:HR:2001:ZC 3667, NJ 2001/633, JAR 2001/216 niet miskend, maar geoordeeld dat als gevolg van de efficiency-doelstelling inzake het re-integratieproces, tijdsverloop in het onderhavige geval wel een reden is om de tweede uitzondering van art. 7:629a lid 2 BW niet toe te passen.
tweede klacht uit II.2komt mij gegrond voor. ’s Hofs oordeel dat [eiser] geen beroep op de uitzondering in art. 7:629a BW lid 2 toekomt nu zijn werkgever door het niet (tijdig) overleggen van een deskundigenoordeel van het UWV wordt benadeeld, omdat deze zo niet meer de gelegenheid kan krijgen om te reageren op het deskundigenoordeel door bijvoorbeeld bijstellende maatregelen te treffen, gaat uit van een doel en strekking van art. 7:629a lid 1 BW die niet stroken met de ratio van deze bepaling. Ik kom daartoe als volgt.
positie van de werknemer te versterkenen dat verder de verwachting van de wetgever is geweest dat in het algemeen werkgever en werknemer zich
in de uitkomst van het deskundigenoordeel zullen schikken. Specifiek wordt in de toelichting aangegeven – begrijpelijk vanuit de overweging dat het de bedoeling is van het stelsel om de positie van de werknemer te versterken en het bij loonvorderingen zo is dat de werkgever loonbetaling heeft opgeschort op basis van een eerste opinie van een bedrijfsarts, dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid door ziekte – dat denkbaar is dat de
werknemerbezwaren heeft tegen de second opinion en die aan de rechter moet kunnen voorleggen. Maar ook dan mag volgens de wetsgeschiedenis worden verwacht dat
de rechter de second opinion tot uitgangspunt van zijn beslissingzal nemen. Ik heb in de parlementaire stukken niet kunnen vinden dat de wetgever met het verplichte voorportaal de bedoeling heeft gehad om de werkgever te beschermen tegen de gevolgen van het ten onrechte niet doorbetalen van loon. Beoogd is/gehoopt werd dat de rechter verminderd belast zou worden met geschillen hierover, omdat partijen bij het UWV oordeel zouden aansluiten; danwel, indien de rechter toch ingeschakeld zou worden, dat al een deskundig oordeel voorlag.
uit deze wetsgeschiedenisechter iets anders afgeleid: Door het achterwege laten van een tijdige aanvraag van een deskundigenverklaring, heeft [eiser] Connexxion de mogelijkheid ontnomen om (alsnog) adequaat te reageren op het deskundigenoordeel, bijvoorbeeld door andere (wel passende) arbeid aan te bieden. Zo bezien maakt de second opinion volgens het hof deel uit van de “dynamiek van het re-integratieproces” en is zowel moment van ter beschikking komen als de inhoud van de second opinion van belang. Ik kan deze “efficiëntieslag” niet uit de wetsgeschiedenis halen, evenmin als bedoelde “dynamiek van het re-integratieproces”. De in de toelichting bedoelde efficiëntie zit hem in het vermijden van rechterlijk ingrijpen, of, als dat niet lukt, in het al meteen voorhanden hebben van een deskundig oordeel over (de mate van) arbeidsongeschiktheid door ziekte. De insteek van de kantonrechter ligt meer in lijn met de efficiëntie-bedoeling van de wetgever: er ligt al een deskundigenverklaring van een UWV-arts voor. Daarin zijn precies de vragen beantwoord waar het hier om gaat. Daarmee wordt voldaan aan de ratio van het voorschrift van art. 7:629a lid 1 BW - daargelaten of wel klopt dat precies de relevante vragen daarin zijn behandeld, wat Connexxion bestrijdt en welke visie het hof blijkens rov. 3.9 ook niet deelt en waartegen cassatieklacht d, uitgewerkt in V, is gericht. Zodoende kan in redelijkheid niet van [eiser] gevergd worden dat hij dat in de loonvorderingsprocedure bij wijze van herhaling van zetten nog eens vraagt. Ook indirect valt dit volgens mij niet te baseren op de dubbele ratio van het verplichte voorportaal, in de zin dat het hof mogelijk bedoelt dat een second opinion ook een werkgever faciliteert in het buiten rechte komen tot een oplossing van een loondoorbetalingsgeschil bij ziekte. In de opvatting van het hof komt aan de wettelijke tweede uitzondering uit art. 7:629a lid 2 BW nauwelijks enige betekenis toe. Ik vind geen aanwijzingen in wetsgeschiedenis, literatuur en rechtspraak (buiten het aangevallen arrest) dat een dergelijk rigide systeem is beoogd. Ik vind evenmin overtuigende aanwijzingen dat een wel in het kader van de loonvorderingsprocedure betrokken UWV arts (achteraf) tot een andere bevinding zou zijn gekomen dan UWV-bezwaarverzekeringsarts Hoffman. Dat er (veel) valt af te dingen op de uitoefening van de taak van het UWV rond het uitbrengen van deskundigenverklaringen is wel duidelijk. Dat staat hier los van. Waar het om gaat, is dat al langs andere weg een onafhankelijk (medisch) oordeel voorlag omtrent de ongeschiktheid van [eiser] om het aangeboden werk te verrichten op de relevante toetsdatum. Dat is wat het wettelijk systeem beoogt met het voorportaal. Het hof gaat dan ook, door zijn oordeel uitdrukkelijk te baseren op deze door hem geduide aard en strekking die uit de wetsgeschiedenis zou volgen, hetzij uit van een onjuiste rechtsopvatting, danwel verschaft het op dit punt een ontoereikende en daarom niet begrijpelijke motivering.
II.4 en II.5(onderdeel
II.3ontbeert zelfstandige betekenis, nu daarin alleen wordt voortgebouwd op deelklachten II.1 en II.2 met de stelling dat gegrondbevinding van klachten II.1 of II.2 ook het oordeel uit de eerste volzin van rov. 3.7 raakt; dit behoeft geen nadere bespreking). Voor het geval rov. 3.8 zou voortbouwen op de passage uit rov. 3.7 dat het moment van ter beschikking komen van een second opinion van belang is, richt klacht
II.4zich tegen de overweging in rov. 3.8 dat [eiser] geen omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan niet van hem kan worden gevergd dat hij de onvolledig ingevulde aanvraag aanvulde en opnieuw verzond. Klacht
II.5is gericht tegen de voortbouwende rov. 3.10, 3.11 en 4 en het dictum en voert aan dat gegrondbevinding van de voorgaande klachten ook het oordeel van het hof raakt dat het moment waarop het rapport van bezwaarverzekeringsarts Hoffman ter beschikking kwam (ruim twee jaar nadat de te beoordelen situatie zich voordeed) in de weg staat aan het op één lijn stellen daarvan met een second opinion bedoeld in art. 7:629a lid 1 BW.
waaromdoor de bestreden oordelen het recht is geschonden en/of deze niet voldoende gemotiveerd zijn. De enkele verwijzing naar de eerdere in onderdeel II voorgestelde klachten is in dit verband onvoldoende bepaald [38] . De “veegklachten” voldoen zodoende niet aan de eisen van een cassatiemiddel uit art. 407 lid 2 Rv Pro.
III, is een motiveringsklacht tegen de passage in rov. 3.8 dat geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken waarom van [eiser] niet kon worden gevergd dat hij de aanvraag (voor een UWV deskundigenoordeel) aanvulde en opnieuw verzond. Geklaagd wordt dat dit onbegrijpelijk is in het licht van essentiële stellingen van [eiser] zowel in eerste aanleg [39] als in hoger beroep [40] . Deze stellingen komen er op neer dat van hem niet kon worden gevergd zich nogmaals tot het UWV te wenden voor een deskundigenoordeel ex art. 7:629a BW nu het oordeel van verzekeringsarts Schoorl (die in september 2007 oordeelde dat [eiser] eind februari 2007 niet in staat was tot werken) en bezwaarverzekeringsarts Hoffman (die volgens [eiser] bij MvA onder 14, waar de klacht naar verwijst, de hem gestelde vraag dusdanig heeft geherformuleerd, dat deze dezelfde is als de vraagstelling die in het kader van een second opinion bedoeld in art. 7:629a BW moet worden beantwoord) daarmee gelijk moet worden gesteld en dat hiermee het doel van art. 7:629a BW al is bereikt [41] .
nietnaar de inleidende dagvaarding onder 11 (daargelaten wat daar overigens van zij). Op de
welaangevoerde grond in klacht
III.1(verwijzing naar het op één lijn stellen van de wel overgelegde rapportages met de ontbrekende second opinion) is rov. 3.8 niet onbegrijpelijk. De klacht kan dan ook niet tot cassatie leiden. Dat geldt ook voor de “veegklacht”
III.2, die alleen aanvoert dat voor zover in rov. 3.9 t/m 4 en het dictum wordt voortgebouwd op de bestreden passage uit rov. 3.8 deze overwegingen en het dictum ook zouden moeten stranden. Dat gaat niet op.
IV, richt zich met twee rechtsklachten tegen rov. 3.9 en 3.10 dat het rapport van bezwaarverzekeringsarts Hoffman niet in de plaats kan worden gesteld van een second opinion als bedoeld in artikel 7:629a BW.
IV.1dat voor zover het hof tot uitgangspunt (rov. 3.9) heeft genomen dat één van de inhoudseisen die art. 7:629a BW aan het deskundigenoordeel stelt, is dat de deskundigen
altijdook
allere-integratieverplichtingen van de werknemer ex art. 7:660a BW aan de orde moet stellen, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht behelst dat zowel uit de tekst, het doel en de strekking van art. 7:629a BW als uit art. 32 Wet Pro SUWI volgt dat een deskundigenoordeel in de zin van art. 7:629a BW uitsluitend één of meer van de drie onderwerpen in de zin van art. 32 Wet Pro SUWI aan de orde moet stellen en niet alle drie. De vraag welke onderwerpen de deskundige aan de orde moet stellen is afhankelijk van het onderwerp van geschil tussen partijen, zo betoogt het onderdeel. Deze klacht gaat niet op, omdat er geen reden is rov. 3.9 en 3.10 zo te lezen dat het hof hiermee ook doelde op de in art. 7:660a onder a en/of b BW bedoelde verplichtingen, die immers niet ter discussie stonden. In geschil was alleen de in art. 7:660a onder c BW bedoelde verplichting (tot het verrichten van passende arbeid bedoeld in art. 7:658a lid 4 BW, waartoe [eiser] door Connexxion in staat werd gesteld), zoals het onderdeel op zichzelf terecht aangeeft. Ik zie niet in dat het hof dit in rov. 3.9 en 3.10 breder zou hebben getrokken. De laatste volzin van rov. 3.9 is een nadere uitwerking van evenbedoelde verplichting onder c, die in de daaraan voorafgaande zin uit rov. 3.9 wordt aangekaart.
IV.2wordt aangevoerd, omdat alleen de re-integratieverplichting uit art. 7:660a onder c BW voorwerp van geschil is, gaat ook niet op. Ook hier miskent de klacht dat rov. 3.9 niet zo dient te worden gelezen dat het hof daarmee tevens doelt op verplichtingen a en b uit art. 7:660a BW, zoals hiervoor bij de behandeling van klacht IV.1 werd uiteengezet. Ook klacht IV.2 berust volgens mij op een verkeerde lezing van rov. 3.9 en 3.10. Onbegrijpelijk is het evenmin, zoals klacht
IV.2.4nog aanvoert, indien uitgegaan wordt van een mijns inziens veeleer voor de hand liggende lezing dat de laatste volzin van rov. 3.9 geen uitbreiding geeft aan de daaraan voorafgaande volzin, maar daar een nadere uitleg aan geeft en dus niet meer behelst dan meerbedoelde verplichting uit art. 7:660a onder c BW.
IV.3voldoen niet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen uit art. 407 lid 2 Rv Pro, om dezelfde reden als hiervoor aangegeven in 2.18.
V, richt zich in
V.1met een motiveringsklacht tegen de passage in rov. 3.9 dat bezwaarverzekeringsarts Hoffman heeft nagelaten zijn stelling te onderbouwen dat [eiser] in juli 2007 verhinderd was om de hem in het kader van zijn klachten voorgestelde passende arbeid te verrichten. Volgens deze klacht kan daaruit wel degelijk afgeleid worden dat en waarom de door Connexxion aangeboden lichte schoonmaakwerkzaamheden niet passend waren voor [eiser], namelijk vanwege zijn medische klachten.
V.1gegrond te bevinden. Het hof heeft de rapportage van dr. Hoffman in mijn optiek dusdanig onwelwillend gelezen, dat zijn motivering niet toereikend is. De bezwaarverzekeringsarts heeft immers duidelijk geoordeeld dat [eiser] in juli 2007 vanwege zijn (eerst later definitief gediagnosticeerde) medische beperkingen niet in staat was het door Connexxion aangeboden vervangende schoonmaakwerk te verrichten [42] . Eerder was al door een verzekeringsarts geoordeeld dat dat ook gold voor februari 2007 en dr. Hoffman beredeneert in zijn rapport dat dit (achteraf bezien, gelet op de (naar valt aan te nemen: ernst van de, mijn toevoeging, A-G) diagnoses) ook moet gelden voor de periode daarvoor, omdat hij aanneemt dat de aandoeningen van [eiser] “ook reeds aanwezig waren rond juli 2007 en zelfs geruime tijd daarvoor”, zodat de aangeboden werkzaamheden volgens hem niet passend waren. Toegegeven, daar zit een (behoorlijk) element van speculatie in. In de opvatting van het hof is evenwel onvoldoende dat uit dit rapport slechts blijkt dat het gezien de klachten van [eiser] in juli 2007 en de diagnoses die later zijn gesteld
aannemelijkis dat de aangeboden werkzaamheden in juli 2007 niet passend waren. Dat deze lezing begrijpelijk zou zijn, omdat dr. Hoffmans rapportage realiter slechts de vraag betreft of in juli 2007 al duidelijkheid bestond over [eiser]’s klachten, hetgeen wat anders zou zijn dan de vraag of die klachten in de weg stonden aan het verrichten van het aangeboden werk, zoals de schriftelijke toelichting van Connexxion onder 25 aandraagt, acht ik in het licht van de onderbouwing in het rapport Hoffman (vgl. de hiervan opgenomen passages in 1.6) onjuist. Bedacht moet worden dat het voorhanden zijn van een second opinion slechts een ontvankelijkheidsvereiste is (met een wettelijke “escape” op billijkheidsgronden in de vorm van het tweede deel van art. 7:629a lid 2 BW), in de parlementaire geschiedenis vergeleken met een te doorlopen bezwaarfase alvorens in beroep kan worden gegaan in het bestuursrecht. Inhoudelijk is de rechter vervolgens niet gebonden aan het oordeel van de UWV-deskundige. Mijns inziens moet dat meewegen in deze zaak. Het moge zo zijn dat af te dingen valt op de motivering van het rapport Hoffman (dat is, zoals uiteengezet, bij “gewone” second opinions uit art. 7:629a BW ook meer dan eens het geval, gelet op de geschetste zware onvoldoende die in de literatuur (en rechtspraak) wordt uitgedeeld aan de uitvoeringspraktijk van het UWV in deze), dat zou eigenlijk niet ter zake moeten doen. Indien dr. Hoffman precies hetzelfde rapport zou hebben uitgebracht, maar nu wel als second opinion in de loonvorderingsprocedure, dan zou dezelfde kritiek op dàt rapport (denkbaar zijn en) niet tot niet-ontvankelijkheid leiden. Als dat gezichtspunt meeweegt, gevoegd bij de omstandigheid dat het wel in de loonvorderingsprocedure overlegde rapport Hoffman, afkomstig van een UWV arts, ondubbelzinnig aangeeft dat [eiser] op 16 juli 2007 (en daarvoor) medisch gezien ongeschikt was het aangeboden re-integratiewerk te verrichten, dan breek ik een lans de onwelwillende lezing van het hof op begrijpelijkheid te laten stranden.
V.2houdt in dat, voor zover rov. 3.9 gebaseerd is op het uitgangspunt dat dr. Hoffman een onvoldoende medische onderbouwing heeft gegeven van de klachten van [eiser], dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 7:629a BW. Immers, het is de deskundige verboden om medische mededelingen op te nemen in zijn deskundigenoordeel die niet relevant zijn en een inbreuk opleveren van de persoonlijke levenssfeer van de werknemer, aldus de toelichting op deze klacht. Ik zie deze klacht niet opgaan, omdat het hof niet is uitgegaan van een extra motiveringseis in art. 7:629a BW. Het heeft in rov. 3.9 alleen aangegeven waarom volgens hem het rapport van de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende is om de tweede uitzondering uit art. 7:629a lid 2 BW op de hoofdregel uit lid 1 van dat artikel toe te passen. Dat is niet rechtens onjuist en evenmin onbegrijpelijk, zoals vergeefs nog wordt geklaagd in
V.2.3.
V.3drie “veegklachten”, maar deze bevatten geen zelfstandige klachten en behoeven om deze reden geen inhoudelijke bespreking, zo deze al aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen zouden voldoen.
VI, richt zich met een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.11, 4 en het dictum van het bestreden arrest, dat de vordering van [eiser] dient te worden
afgewezen. De sanctie op het niet-overleggen van een second opinion is volgens deze klacht
niet-ontvankelijkheid.