ECLI:NL:PHR:2013:BV3004
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het afgeleide verschoningsrecht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg bij verstrekking van medische dossiers aan het Openbaar Ministerie
Deze zaak betreft een klacht van een gynaecoloog, tevens medisch directeur van een kliniek, tegen de verstrekking door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) van medische dossiers aan het Openbaar Ministerie (OM) in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. De IGZ had een dossier met betrekking tot een tuchtklacht en bijbehorende patiëntendossiers verstrekt, waarbij de dossiers waren beperkt tot die van patiënten die toestemming hadden gegeven.
De kern van het geschil betreft het afgeleide verschoningsrecht van de IGZ, dat voortvloeit uit het medisch beroepsgeheim van de artsen. De Hoge Raad bevestigt dat de IGZ een afgeleid verschoningsrecht toekomt, maar dat het oordeel over het al dan niet toepassen van dat recht primair bij de arts ligt. De IGZ kan niet zelfstandig beslissen om het verschoningsrecht te laten varen zonder instemming van de arts.
Daarnaast behandelt de Hoge Raad de verhouding tussen het verschoningsrecht en het nemo tenetur-beginsel, waarbij wordt vastgesteld dat het nemo tenetur-beginsel niet onvoorwaardelijk is en dat het gebruik van bepaalde gegevens in het bewijs niet automatisch het zwijgrecht van de verdachte aantast.
De Hoge Raad bevestigt voorts dat het OM medische informatie bij voorkeur bij de bron moet opvragen en niet via de IGZ, die een geheimhoudingsplicht heeft. De rechtbank heeft het klaagschrift van de arts ongegrond verklaard, en deze beslissing wordt door de Hoge Raad bekrachtigd.
Uitkomst: Het klaagschrift van de arts wordt ongegrond verklaard en de verstrekking van medische dossiers door de IGZ aan het OM is toegestaan onder de gegeven omstandigheden.