Conclusie
1.Overzicht
private equityovernamestructuur met kennelijk een beoogde internationale
mismatch, nl. een
deduction/no inclusionvan de beloning op de geldverstrekking. Daarvan zijn er ook enige onder de feitenrechter: recente uitspraken van Hof Den Haag [1] en Rechtbank Noord-Holland [2] betroffen vergelijkbare fiscaal gedreven overnamefinancieringsstructuren. Anders dan de aanhangige zaak 19/02596, die door het Hof (vooral) op basis van
fraus legisis afgedaan, is deze zaak door het Hof (vooral) afgedaan op basis van uw onzakelijke-leningrechtspraak.
private equityfonds [A] heeft in zijn subfonds [B] LP eigen vermogen van (institutionele) beleggers bijeengebracht en vervolgens geleid naar twee op de Kaaimaneilanden geconfigureerde [A] -(sub)subfondsen, Fund [C] en [D] Fund. In die twee
Fundsnamen LPs deel waarin de commanditaire vennoten de externe
equity-beleggers waren en de beherende vennoten op Jersey gevestigde [A] -entiteiten en/of -employés. De in [A] bijeengebrachte
equitywerd gebruikt voor
leveragedovernames met vreemd vermogen van Europese
targetsom die na vijf tot zeven jaar, na optimalisering van hun EBITDA, met vermogenswinst te verkopen.
targetswerd de Nederlandse [F] groep. Het mede voor diens overname gebruikte eigen vermogen werd behalve door de [A] -fondsen (circa € 401 mio) ook verstrekt (voor gezamenlijk circa € 284 mio) door (i) het management van de [F] groep, (ii) de verkopende partij [E] en (iii) niet met [A] gelieerde co-investeerders.
preferred equity shares: A-PECs (€ 49 mio) en B-PECs (€ 636 mio), uitgegeven door de Luxemburgse moeder ( [G] ) van de belanghebbende. [G] heeft € 43 mio in de belanghebbende ingebracht als kapitaal en haar daarnaast circa € 635 mio (door)uitgeleend als
shareholder loan(SHL). De belanghebbende heeft [G] geen zekerheden verstrekt en is [G] ruim 15% rente per jaar verschuldigd op de SHL. Die rente wordt niet betaald, maar bijgeboekt. De SHL en de bijgeboekte rente zijn achtergesteld bij met name de vorderingen van een bankensyndicaat dat € 640 mio aan de
targetheeft uitgeleend om bestaande schulden mee af te lossen. Dat syndicaat heeft wél zekerheden geëist en bedongen dat de SHL plus bijgeboekte rente niet mag worden afgelost voordat de banken volledig zijn voldaan.
transfer pricingregels en binnen het denkraam van een redelijk denkende ondernemer. Hij acht de rente ad € 45.256.000 daarom niet aftrekbaar. Subsidiair enz. meent hij dat de lening onzakelijk is, dat art. 10a aftrek verhindert c.q. dat de belanghebbende en haar financiers
in fraudem legishebben gehandeld. Hoe dan ook acht hij de rente niet aftrekbaar
targette verkopen, en het resulterende onzakelijke debiteurenrisico niet gecompenseerd kan worden met een (nog) hogere rente zonder de lening winstdelend te maken. Omdat belanghebbendes moeder/creditrice ( [G] ) even onacceptabel is als borg als de belanghebbende zelf, kan uw borgstellingsanalogie ex HR
BNB2012/37 niet toegepast worden. Het Hof heeft daarom in plaats daarvan de rente op een tienjarige staatsobligatie (2,5%) als zakelijke rente geïmputeerd, leidende tot een rente ad € 7.435.594 in het geschiljaar. Niet in geschil is dat 35,5% daarvan (€ 2.639.636) aftrekbaar is omdat de SHL voor 35,5% is gebruikt voor niet (ex art. 10a Wet Vpb) besmette transacties. De resterende € 4.795.958 is toe te rekenen aan de besmette financiering van de besmette overname van de [F] Group.
fraus legis. Omdat zowel de transactie als de lening besmet zijn (art. 10a Wet Vpb), moet de belanghebbende volgens lid 3 van die bepaling ofwel voor beide zakelijke motieven aannemelijk maken, ofwel een redelijke heffing of derdenschuld-parallellie bij de crediteur aannemelijk maken. Dat is haar volgens het Hof niet gelukt voor de SHL, onder meer omdat zij de achter [G] liggende financieringsstructuur, met name die op de Kaaimaneilanden en Jersey, ‘in nevelen heeft gehuld,’ welke nevelen voor haar bewijsrisico blijven. Op basis van de wél vaststaande feiten, waaronder de omstandigheden dat (i) de op de Kaaimaneilanden geconfigureerde [A] -fondsen het hen ter beschikking gestelde vermogen als eigen vermogen administreerden, (ii) alle aldaar in die fondsen deelnemende LP’s met ‘ [A] ’ in hun naam werden aangeduid, (iii) al die LPs dezelfde, in dienst van [A] op Jersey werkzame
general partnershadden, en (iv) de notificatie bij de Europese Commissie vermeldde dat de in Luxemburg gevestigde [H] de volledige zeggenschap verkreeg over de [F] groep, heeft het Hof de vermoedens opgevat dat de PECs aan [G] zijn verstrekt door de [A] -groep via de Kaaimaneilanden, uit
equitydie in eerste instantie door de uiteindelijke beleggers was ingebracht in [B] LP, en dat die
equityom antifiscale redenen dubbel hybride is omgeleid langs de Kaaimaneilanden, Jersey en Luxemburg. De belanghebbende, op wie de tegenbewijslast van zakelijkheid van de overnamefinancieringsstructuur rustte, heeft dat vermoeden niet ontzenuwd en heeft evenmin een derdenschuldparallellie of redelijke heffing bij de crediteur aannemelijk gemaakt, nu (i) de SHL en B-PECs niet geheel parallel lopen en het weliswaar kleine renteverschil door de
compoundrente exponentieel oploopt, (ii) de SHL mede uit A-PECs is gefinancierd, wier rentevoet ruim 2%-punt afwijkt van de SHL en (iii) de belanghebbende ‘in nevelen’ heeft gehuld wie precies hoe en met welk geld achter welke PECs zit. Daardoor is ook die resterende rente niet-aftrekbaar, behalve voor zover verschuldigd op het SHL-deel afkomstig van andere investeerders dan de [A] -groep. Voor dat deel van de SHL heeft de Inspecteur niet gesteld dat het geld onzakelijk is omgeleid en het Hof achtte een tegenbewijs-eis daarom voor dat deel niet redelijk. Gegeven zijn oordeel over de reikwijdte van artikel 10a Wet Vpb, zag het Hof verder geen ruimte voor
fraus legis.
principale middelen (i) en (ii)stellen dat het Hof de SHL als deelnemerschapslening had moeten aanmerken, c.q. renteaftrek had moeten weigeren op grond van het totale-winstbegrip en/of het armslengtebeginsel, met name de OECD
transfer pricingregels, nu geen redelijk denkende ondernemer of onafhankelijke derde zo’n lening zou aangaan. Ik meen dat beide middelen stranden op (i) de door u expliciet gewenste rechtszekerheid bij kwalificatie van gelieerde geldverstrekkingen (HR
BNB2018/60) en (ii) de financierings-vrijheid van concerns (HR
BNB2016/197; Italiaanse Telecom). Tenzij een lening niets met de ondernemingsuitoefening te maken heeft (zoals de renpaarden en de privéreisjes in HR
BNB2002/290 resp. HR
BNB1995/15) en om die reden de kosten ervan niet aftrekbaar zijn, biedt uw rechtspraak mijns inziens bij een gelieerde niet-armslengte-lening slechts in twee gevallen de mogelijkheid om op grond van het totale-winst- en/of het armslengtebeginsel af te wijken van hetgeen civielrechtelijk is overeengekomen, nl. als het gaat om één van de drie gevallen van HR
BNB1988/217 en HR
BNB1998/208 (structurele verliesfinanciering en schijn- of deelnemerschapsleningen, die alle drie fiscaalrechtelijk geheel als eigen vermogen worden gekwalificeerd), of om een onzakelijke lening. Een onzakelijke lening wordt niet geherkwalificeerd, maar het armslengte- en/of het totale-winstbeginsel noopt er wel toe de prijs (de rente) te corrigeren (zoals in het Zweedse Grootmoeder-arrest) of, als dat niet kan zonder de lening winstdelend te maken, het onzakelijke debiteurenrisico te corrigeren door de consequenties ervan uit de fiscale winst te elimineren. In dat laatste geval, dat zich volgens het Hof in casu voordoet, wordt een zakelijke rente bepaald op basis van een borgstellingsanalogie en zijn afwaarderingen op de schuldvordering niet aftrekbaar.
BNB1988/217, ofwel
fraus legis, zoals in Holdingconstructies waarin de lening geen enkele reële rol vervult in de ondernemingsfinanciering en de uiteindelijke vermogensverhoudingen niet wijzigen. Van een privé-renpaardengeval of schijn is in casu geen sprake, nu de SHL een reële financierings-behoefte vervult. Dan kan volgens HR
BNB1988/217 slechts tot vermomd eigen vermogen geconcludeerd worden bij structurele verliesfinanciering of deelnemerschap. Van het eerste is geen sprake en voor het tweede ontbreekt de vereiste onbepaalde looptijd. Dan resteert slechts de onzakelijke lening.
Fraus legisdoet zich volgens het Hof niet voor omdat de onzakelijkheid van de SHL al weggenomen wordt door toepassing van (i) uw onzakelijke-leningdoctrine en (ii) art. 10a Wet Vpb. Principaal middel (ii) strandt dus. Principaal middel (i) probeert daarom hetzelfde, maar dan
binnenhet kader van HR
BNB1988/217, nl. binnen de categorie ‘deelnemerschapslening’. Het acht de overeengekomen SHL-looptijd een wassen neus omdat ondenkbaar is dat hoofdsom en bijgeschreven rente afgelost zullen (kunnen) worden zonder wederverkoop van de
target. De werkelijke looptijd is gelijk aan die van de kapitaalverstrekking, zodat op basis van HR
BNB2018/60 en HR 2020/117 aan de papieren looptijd voorbijgegaan moet worden. Nu de SHL ook achtergesteld is én de rente (in feite) winstafhankelijk is, is zij dus een deelnemerschapslening. Ik meen dat het Hof aan de juiste criteria heeft getoetst – die van HR
BNB2020/117 (
perpetuals)) – en kon oordelen dat de overeengekomen looptijd geen onbepaalde wassen neus was in de zin van HR
BNB1998/208, mede gegeven dat de (maximale) looptijd kennelijk samenhing met de beoogde levensduur van de [A] -(sub)fondsen (tien jaar) en mijns inziens niet ter zake doet dat voor betaling van de opgetaste rente vermogenswinst op wederverkoop nodig is. ‘s Hofs uitleg van de contracten en zijn oordeel over de bedoelingen van de partijen lijken mij niet onbegrijpelijk en geenszins ongemotiveerd. Is voltooiing van de gecontracteerde tien jaren inderdaad volstrekt onwaarschijnlijk, zoals de fiscus betoogt, dan is het ‘gezamenlijke oogmerk’ van de partijen kennelijk om eerder af te lossen, dus juist niet om de geldverstrekking onbepaald, althans langer dan 50 jaar te laten doorlopen. De fiscus betoogt niet dat aflossing van de SHL bij faillissement van de belanghebbende niet vóórgaat op de aandeelhoudersrechten of dat de looptijd/opeisbaarheid niet bepaal
baarzou zijn op (aanzienlijk) korter dan 50 jaar.
Incidenteel middel 1klaagt dat het Hof de SHL ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd als één lening met één debiteurenrisico heeft aangemerkt, ondanks haar ten opzichte van elkaar achtergestelde en separaat cedeerbare acht tranches. Ik meen echter dat het Hof zijn desbetreffende sterk feitelijke oordeel overtuigend heeft gemotiveerd en dat dit middel daarom strandt op art. 81 Wet Pro RO.
mismatcheste voorkomen. Het lijkt inderdaad weinig consistent dat als geen derdenrente kan worden bepaald zonder de lening winstdelend te maken, toch rente in aanmerking wordt genomen. Dat u in HR BNB 2012/37 desondanks een borgstellings-analoge rente imputeerde, lijkt gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel en op de vrees dat fiscale constructeurs anders gelegenheid krijgen. Daarvan uitgaande, zie ik niet hoe een tweezijdig perspectief, ook vanuit de debiteur, tot aftrekweigering zou leiden. U wenst immers geen nulrente want wél evenwicht. Het debiteursperspectief volgt dan dus het crediteurs-perspectief. U heeft in HR
BNB2012/37 expliciet het armslengtebeginsel meegewogen (r.o 3.3.2), zodat het geen nieuw inzicht oplevert dat zou nopen terug te komen van de borgstellingsanalogie. Het standpunt van de Staatssecretaris (bij de debiteur uitgaan van een ander perspectief dan bij de crediteur) leidt mijns inziens overigens even zeer tot
mismatchesin te imputeren rente als de gelieerde debiteur en crediteur – zoals vaak – niet dezelfde kredietwaardigheid hebben, hetgeen mij ook in strijd lijkt met de evenwichtsgedachte die volgens HR
BNB1986/295 achter uw Zweedse-grootmoederarrest zit. Uw onzakelijke-leningrechtspraak lijkt mij niet in strijd met de OESO-TP-inzichten, nu beide er toe strekken onzakelijke gelieerdheidseffecten uit de fiscale winst te verwijderen. Dat andere landen dat mogelijk op basis van een andere dogmatiek doen, zodat
mismatcheskunnen ontstaan, impliceert niet dat Nederland zich aan interpretaties van andere Staten moet aanpassen.
BNB2013/149, dat alleen op de crediteur van een onzakelijke lening zag, zegt mijns inziens (i) dat bijschrijving van niet-betaalde rente op een onzakelijke lening onderdeel wordt van die onzakelijke lening wegens identiek debiteurenrisico, (ii) dat het debiteurenrisico op de schuldig gebleven rentetermijn meteen bij verval van die termijn geacht wordt zich te realiseren, zodat (iii) op dat moment afgewaardeerd wordt naar de waarde in het economische verkeer, en (iv) dat die afwaardering wegens onzakelijkheid uit de fiscale winst moet worden geëlimineerd om ‘een juiste vaststelling van de totaalwinst te verkrijgen’. Eventuele latere verdere afwaardering van de onzakelijke rentevordering is dus wél aftrekbaar, anders dan enige afwaardering op de hoofdsom. De zin van de discussie over de vraag of dezelfde afwaardering dan bij de debiteur geldt, ontgaat mij enigszins omdat eventuele (vrijval)winst bij de debiteur door afwaardering van haar verzakelijkte renteverplichting mijns inziens in de kapitaalsfeer valt, net zoals het afwaarderingsverlies bij de crediteur, zodat het om een informele kapitaalstorting in de belanghebbende gaat, net zoals bij de niet-betaalde rente in het Zweedse-grootmoeder-arrest. Het effect op de fiscale winst van de debiteur van toepassing van HR
BNB2013/149 is mijns inziens dus nihil: de alsdan niet-aftrekbare rente is dan informeel kapitaal. Zie ik dat verkeerd, dan meen ik dat HR BNB 2013/149 alleen de totale winst van de crediteur aangaat, niet die van de debiteur, die immers op de SHL geen onzakelijk debiteurenrisico kán lopen: zij
ishet debiteurenrisico. Principaal middel (iv) treft mijns inziens dus doel in zoverre het congruente toepassing van HR BNB 2013/149 bij crediteur en debiteur bepleit, maar dat leidt mijns inziens niet tot het door de Staatssecretaris beoogde doel en daarmee niet tot cassatie.
incidenteel middel 2onduidelijkheid over de herkomst van de financiële middelen voor de SHL mijns inziens terecht voor het (bewijs)risico van de belanghebbende gelaten, op wie immers de tegenbewijslast van zakelijkheid rust. Zij moest in dit kader aannemelijk maken dat (i) de SHL en de PECs parallel liepen in elk geval qua omvang, looptijd, aflossingsschema, rente en moment van aangaan, en (ii) achter die PECs ongelieerde financiers zaten. Het Hof heeft de belanghebbende in geen van beide geslaagd geacht. Uit HR BNB 2017/156 en HR BNB 2019/98 volgt dat de feitenrechter bij de schuldparallellie-beoordeling een grote cassatievrije ruimte heeft en ik meen dat ’s Hofs bewijsoordeel daar ruim binnen blijft. Weliswaar acht ik, anders dan het Hof (r.o. 4.9.4.3), voor schuldparallellie op zichzelf niet fataal dat de PECs fiscaal hybride zijn en de SHL niet (mits de voor de SHL gebruikte middelen uiteindelijk maar traceerbaar van derden afkomstig zijn), maar wel zijn constateringen dat (i) de rente op de SHL verschilt van die op de PECs, weliswaar ten opzichte van de B-PECs zeer weinig, maar door de oprenting wel steeds meer, en ten opzichte van de A-PECs met ruim 2%-punt en (ii) de looptijden en aflossingsschema’s van de SHL en de PECs niet parallel lopen. Ik acht incidenteel middel 2 ongegrond
tax havens, maar omvat ook synthetische
tax havens. De onzakelijkheid van de geldstroom kan ook zitten in tussenschuiven van commercieel zinloze rechtshandelingen die alleen antifiscaal verklaard kunnen worden. Ook hybride elementen, zoals in casu het dubbel hybride karakter van de overnamefinancieringsstructuur (hybride entiteiten en hybride geldverstrekkingen) kunnen mijns inziens bijdragen aan de constatering van een onzakelijke omweg. Mede gezien HR
BNB2015/165 (Mauritius) meen ik dat bij de beoordeling of zich een onzakelijke omleiding voordoet, de redenen voor het aangaan van de SHL van alle daarbij betrokkenen van belang kunnen zijn en dat eigen vermogen niet alleen langs ‘verbonden lichamen’ in de zin van art. 10a(4) Wet Vpb onzakelijk omgeleid kan worden naar vreemd vermogen, maar ook andere onzakelijke omwegen kan maken. Met het Hof meen ik dat het bij ‘verbonden lichaam’ in art. 10a Wet Vpb gaat om de debiteur en de crediteur van de besmette lening en dat het bij ‘betrokkenen’ en ‘concern’ in uw rechtspraak om een wijder gezelschap van gelieerden kan gaan, zoals in casu het [A] -fondsenconglomeraat. Op basis van de wél vast staande feiten kon het Hof mijns inziens het vermoeden opvatten dat de PECs aan [G] zijn verstrekt door het [A] -conglomeraat via de Kaaimaneilanden, uit
equitydie in eerste instantie in [B] LP is ingebracht en dat die
equityom antifiscale redenen dubbel hybride is omgeleid langs de Kaaimaneilanden, Jersey en Luxemburg. De belanghebbende, op wie de bewijslast van zakelijkheid van deze onoverzichtelijke overnamefinancierings-structuur rustte, heeft dat vermoeden volgens het Hof niet ontzenuwd en dat bewijsoordeel is mijns inziens geenszins onbegrijpelijk, mede gezien haar kennelijke neveligheid ter zake van de configuraties op de Kaaimaneilanden achter de PECs.
in middel (v)subsidiair terecht dat ook als de Inspecteur niet gesteld heeft dat ook de middelen afkomstig van de andere investeerders dan de [A] -fondsen onzakelijk zijn omgeleid, art. 10a(3) Wet Vpb op de belanghebbende de last legt te bewijzen dat voor alle betrokkenen bij de SHL zakelijke redenen bestonden voor het aangaan ervan, zodat het Hof op dit punt de bewijslast onjuist heeft verdeeld. De middelen van de andere investeerders niet kennelijk niet langs nevelige fondsen en LP’s met GP’s op Jersey geleid, en evenmin over de Kaaimaneilanden, maar de overige investeerders hielden wel hybride PECs die via Luxemburg liepen en hebben hun eigen vermogen dus kennelijk niet rechtstreeks als vreemd vermogen ter beschikking gesteld aan de belanghebbende. Ik meen daarom dat ’s Hofs oordeel op dit punt rechtskundig onjuist is door een verkeerde bewijslastverdeling of onvoldoende is gemotiveerd, zodat middel (v) in zoverre tot cassatie leidt en in zoverre de zaak verwezen moet worden voor tegenbewijslevering en -beoordeling.
principaal middel (vi)heeft de Staatssecretaris dan geen belang meer. Het klaagt dat het Hof ofwel niet ingegaan is op het beroep op
fraus legis, ofwel dat beroep ten onrechte heeft opgevat als slechts beroep op
fraus 10ain plaats van beroep op
fraus Wet Vpb. Gegrondbevinding van middel (v) maakt dit middel overbodig. Het gaat in beide middelen immers om dezelfde aftrek en om dezelfde motieven, nl. om de aftrek van de verzakelijkte rente op het deel van de SHL afkomstig van de andere investeerders dan de [A] -fondsen en de motieven dan die andere investeerders. Als die rente na verwijzing alsnog niet-aftrekbaar blijkt op grond van art. 10a Wet Vpb, dan is er geen doel meer om
fraus legisop te richten; als die rente na verwijzing alsnog wél aftrekbaar blijkt omdat tegenbewijs van zakelijke motieven wordt geleverd, is toepassing van
fraus legisuitgesloten omdat alsdan niet aan het subjectieve vereiste daarvoor voldaan kan worden.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
private equityfonds [A] heeft in subfondsen circa € 11 miljard bijeengebracht om 20 tot 30 investeringen te doen ad elk tussen € 250 en 600 miljoen. Eén van de
targetswerd de Nederlandse [F] groep (thans [X] groep), over te nemen van het
private equityfonds [E] ( [E] ). De [F] groep levert, installeert en exploiteert drank- en levensmiddelenautomaten en levert de ingrediënten. Zij plaatst koffieautomaten en dergelijke bij bedrijven en produceert koffie. De groep bestond uit [K] BV ( [K] ) en dier dochters [L] BV, [M] BV, [I] BV, [N] BV en [O] BV); zie het schema in 2.11 hieronder.
private equitybeleggers belegden als
limited partnersin
partnerships(LPs) op de Kaaimaneilanden die aldaar deelnamen in [A] ’s subfondsen [C] Fund en [D] Fund. De beherende vennoten van de LPs waren per fonds steeds dezelfde en waren onderdeel van [A] en op Jersey gevestigd. Een deel van de voor de overname van de [F] groep bestemde
equityis indirect als lening verstrekt aan de belanghebbende (het Nederlandse overnamevehikel) via haar belanghebbendes enige aandeelhoudster [G] Sàrl ( [G] ), die een
shareholder loan(SHL) aan de belanghebbende heeft verstrekt.
target(17,8%) en niet aan [A] gelieerde co-investeerders (in totaal 21,9%) die allen minder dan 2,2% in [G] houden. [G] is ook feitelijk in Luxemburg gevestigd. Niet in geschil is dat de LPs vergelijkbaar zijn met open commanditaire vennootschappen en daarom naar Nederlands fiscaal recht niet-transparant zijn.
target, en diverse klassen B-aandelen (de andere aandeelhouders). A of B maakt uit voor de zeggenschap. Daarnaast heeft [G] aan haar aandeelhouders
preferred equity certificates(PECs) uitgegeven met een looptijd van tien jaar (minus enige werkdagen), verdeeld in A-PECs ad € 49.000.001 (rente 13% per jaar) en B-PECs ad € 636.338.750 (rente 15,156% per jaar). Naar Luxemburgs recht zijn de PECs vreemd vermogen, zodat de rente aldaar aftrekbaar is. [G] heeft de inleg op de A-PECs als kapitaal ingebracht in ‘de onderliggende vennootschappen’ (ik neem aan: de belanghebbende en haar dochters) en heeft de inleg op de B-PECs als lening verstrekt aan die ‘onderliggende vennootschappen’.
shareholder loan(SHL) is vastgelegd in een
intercompany loan agreementvan 14 oktober 2010. Vijf van de zeven tranches zijn tegelijkertijd opgenomen. De belanghebbende (haar fiscale eenheid) heeft de middelen gebruikt voor (i) de overname van de [F] -groep (de aandelen [K] ) (€ 433,3 miljoen) en (ii) leningen aan [K] (€ 126 miljoen), [L] B.V. (circa € 26 miljoen) en [M] B.V. (circa € 88 miljoen) om bestaande schulden af te lossen. Niet in geschil is dat 35,5% van de SHL niet besmet is omdat de (door)leningen onder (ii) genoemd geen besmette transacties zijn in de zin van art. 10a Wet Vpb.
senior facilitiesverstrekt ad € 640 miljoen om bestaande schulden van de [F] groep af te lossen.
Bank Base Caseopgesteld. [A] en het management van de [F] groep presenteerden daarin aan het bankensyndicaat prognoses van het geconsolideerde resultaat en de
cash flowtot onderbouwing van de verwachting dat de resultaten en de
cash flowde [F] groep in staat zouden stellen om de verplichtingen ex de
Senior Facilities Agreementna te komen. Geprognosticeerd werd dat de [F] groep conform de leenvoorwaarden uiterlijk in het boekjaar 2017/2018 de bankschulden zou kunnen aflossen.
BNB1988/217 [5] , HR
BNB1998/208 [6] , HR
BNB1999/176 [7] , HR
BNB2006/82 [8] , HR
BNB2012/37 [9] en HR
BNB2018/60 [10] en een wetshistorische analyse van art. 10(1)(d) Wet Vpb 1969, de SHL fiscaalrechtelijk aangemerkt als een deelnemerschaps-lening, zodat de rente fiscaal niet aftrekbaar is:
FutD2018/3080 was kritisch. Zij meende dat niet ter zake doet of de toekomstige vermogenspositie waaruit de opgelopen rente betaald moet worden, opgebouwd wordt uit inkomsten uit operaties of door verkoop van deelnemingen en merkte op dat een aflossingshorizon van 5 jaar in plaats van de overeengekomen 10 jaar juist niet leidt tot een feitelijke looptijd van minstens 50 jaar, vereist voor een deelnemerschapslening:
NTFR2019/211) merkte het volgende op over de rente:
NLF2019/0457) meende dat de benadering van de Rechtbank neerkomt op de door u in HR
BNB2018/60 [11] juist afgewezen materiële toepassing van de voorwaarden voor een deelnemerschapslening. Hij acht met name het voorbijgaan aan de overeengekomen looptijd onjuist en merkt op dat winstafhankelijkheid van de
betalingniet hetzelfde is als winst-afhankelijkheid van de
verschuldigdheidvan de rente:
in fraudem legisgehandeld?
BNB2018/60 onder 2.4.2 heeft overwogen:
BNB1998/208, rechtsoverweging 3.3). Voor het antwoord op de vraag of de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers, is bepalend hetgeen daaromtrent is overeengekomen.
BNB2006/82).”
BNB1998/208 in de rechtspraak (nader) ontwikkelde criteria voor de beoordeling of een lening als deelnemerschapslening moet worden aangemerkt, leidend zijn. Eén van die criteria betreft het ontbreken van een vaste looptijd van de lening. In het arrest
BNB1998/208 ging het om de kwalificatie van een achtergestelde winstdelende converteerbare obligatie met een (vaste) looptijd van 50 jaar. Deze omstandigheid bracht in het arrest
BNB1998/208 niet mee dat, voor de vraag of de obligatiehouders in de onderneming van belanghebbende in zekere mate deelhebben, aan de (vaste) looptijd van vijftig jaar zelfstandige betekenis moest worden ontzegd. Het omslagpunt lijkt te liggen bij een lening met een looptijd van meer dan 50 jaar (HR 25 november 2005, nr. 40989, ECLI:NL:HR: 2005:AT5958,
BNB2006/82, r.o. 3.2).
an amount up to the Available Amount, at its sole discretion by sending a Drawdown Notice to the Lender during the Availability Period”.
BNB2012/37, heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
BNB2008/191). Hierna zal een zodanige lening worden aangeduid als een onzakelijke lening.”
BNB2012/79, r.o. 3.2-3.3 en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:645,
BNB2015/141, r.o. 2.3.1 en 2.3.2).
BNB2012/37.
BNB2012/37; zie onderdeel 6.2 e.v. hieronder) in casu niet helpt bij de verzakelijking van de rente op de onzakelijke SHL, nu belanghebbendes creditrice [G] slechts een doorgeefluik is met een zelfde vermogens-structuur als de belanghebbende en dus ongeschikt als borg. Het Hof volgt belanghebbendes subsidiaire stelling dat dan als zakelijk moet worden beschouwd de risicovrije rente op een 10-jarige staatsobligatie (2,5%). Behoudens toepassing van art. 10a Wet Vpb of
fraus legisacht het Hof op die basis een bedrag ad € 7.435.594 aan rente aftrekbaar:
BNB2013/149, r.o. 3.5.2, ontleende benadering betekenis voor de crediteur (zoals in dat arrest), maar geldt dat niet spiegelbeeldig voor de debiteur. Voor de debiteur geldt immers dat zij rente verschuldigd is, ongeacht haar eigen kredietwaardigheid. Behoudens extreme omstandigheden die zich in het onderhavige geval niet hebben voorgedaan, dient zij als schuldenaar uit te gaan van de nominale waarde van de schuld (vgl. HR 14 juni 2000, nr. 35350, ECLI:NL:2000:AA6212,
BNB2000/269).
fraus legisalsnog de aftrek verhindert van de aldus in beginsel aftrekbare € 4.795.958 oordeelt het Hof dat (i) aan toepassing van art. 10a Wet Vpb niet in de weg staat dat de belanghebbende fiscaal gevoegd was met [X] en [K] ; (ii) de belanghebbende volgens art. 10a(3) Wet Vpb aannemelijk moet maken dat er zakelijke redenen waren voor de SHL; onduidelijkheid over de herkomst en loop van de SHL-middelen blijft voor belanghebbendes bewijsrisico; (iii) hij het er op basis van belanghebbendes beperkte en beperkt onderbouwde informatie op houdt dat de leningen aan [G] zijn verstrekt door de samenwerkingsverbanden van
limited partnershipsop de Kaaimaneilanden (Fund [C] en [D] Fund) waarvan de
general partnersteeds op Jersey is gevestigd en dat de
equityin eerste instantie aan [B] LP ter beschikking is gesteld; (iv) parallellie met een externe schuld niet aannemelijk is gemaakt, nu de SHL en B-PECs niet geheel parallel lopen, de SHL niet alleen uit de B-PECs is gefinancierd, zodat ook de voorwaarden van de A-PECs in de parallelliebeoordeling moeten worden betrokken, en onduidelijk is gebleven wie de houders van de PECs zijn, zodat onduidelijk is wie de SHL in wezen financierde; in aanmerking zouden komen Fund [C] / [D] Fund of hun deelnemende LP’s; (v) de belanghebbende het Hof evenmin in staat heeft gesteld te beoordelen of het geld onzakelijk is omgeleid, nu zij onvoldoende informatie heeft verstrekt, wat voor haar bewijsrisico komt; (vi) overwegend zakelijke motieven voor de SHL aldus niet aannemelijk zijn geworden; integendeel: het Hof vermoedt een onzakelijke omleiding; (vii) de Inspecteur de gestelde onzakelijke omleiding echter alleen heeft betrokken op het geld bijeengebracht in de [A] -fondsen Fund [C] en [D] Fund en niet op het geld bijeengebracht door de andere investeerders. Bij een redelijke toepassing van de tegen-bewijsregeling van art. 10a Wet Vpb is dat laatste deel dan niet onzakelijk, aldus het Hof:
fraus legis.
FutD2020-1857 acht het feit dat bij de overname van de
targeteen rentabiliteit van het eigen vermogen ad 11% werd verondersteld, terwijl de rente op de SHL tot financiering van die overname 15,216% bedroeg, op zichzelf al genoeg om de renteaftrek te torpederen. Zij acht de SHL in wezen ‘meer dan winstdelend’:
NLF2020/1535) onderschrijft ‘s Hofs oordeel dat de SHL geen deelnemerschaps-lening is en één lening is en niet acht leningen. Het Hof heeft volgens hem terecht de stelling van de Inspecteur verworpen dat de onzakelijkheid van de lening ook vanuit debiteursperspectief moet worden beoordeeld, evenals diens spiegelbeeldbenadering ex HR
BNB2013/149, gegeven de asymmetrische werking van goed koopmansgebruik. Wel vindt hij het vreemd dat het Hof voor het onzakelijke-omleidingvermoeden ook de motieven relevant acht van groepslichamen die niet ‘verbonden’ zijn in de zin van art. 10a(4) Wet Vpb. De verwerping van het beroep op EU-recht acht hij terecht:
fraus legis, waaronder
frausart. 10a.
Fraus legisbeperkt bij een internationale overnamefinancierings-structuur de motiefbeoordeling geenszins tot
bepaaldebij die structuur betrokken gelieerde entiteiten en personen. Voor de toepassing van
fraus legiszijn de motieven van het financiering- en structuurbepalende
private equityfonds als geheel van belang. Het feitelijke oordeel dat die motieven antificaal zijn, kan gebaseerd worden op de aanwezigheid van kunstgrepen, zoals commercieel onverklaarbare opsplitsing en geleiding van het bijeengebrachte eigen vermogen langs door het fonds beheerste entiteiten
omverbondenheid (in de zin van art. 10a) te verijdelen of om omzetting van eigen vermogen in vreemd vermogen te verhullen.
3.Het geding in cassatie
arm 's lengthbeginsel heeft getoetst, maar alleen vanuit het perspectief van de crediteur;
BNB2013/149 volgt dat de renteverplichting op de economisch-verkeerswaarde moet worden gesteld;
fraus legisten onrechte alleen behandeld in verband met art. 10a Wet Vpb 1969.
targetin geen enkel aannemelijk scenario de hoofdsom plus bijgeschreven samengestelde rente na tien jaar betaald zou kunnen worden, zodat de overeengekomen leninglooptijd betekenisloos is. Aangezien de SHL bovendien achtergesteld en in wezen winstdelend is, gaat het dan om een deelnemerschapslening. Evenals in de bij u onder nr. 19/02596 aanhangige zaak waarin ik op 31 januari 2020 concludeerde, [15] bestrijdt de Staatssecretaris dat het voor de realiteit van de contractuele looptijd niet uitmaakt of de investeerders hun
returnontvangen uit vermogenswinst op aandelen of als aflossing van hoofdsom en bijgeschreven rente, omdat de SHL onlosmakelijk samen met en feitelijk onder dezelfde voorwaarden als het aandelenkapitaal wordt geïnvesteerd in de (koperstructuur van) de
targetén bij verkoop onlosmakelijk samen met de kapitaalverstrekking wordt terugbetaald. De kortere werkelijke looptijd houdt geen reëel verband met de contractuele looptijd, maar is gelijk aan de duur van de risicodragende kapitaalverschaffing. De Staatssecretaris ziet in HR
BNB2018/60 [16] ruimte om in "extreme casusposities" zoals in casu af te wijken van de hoofdregel dat de drie criteria van de deelnemerschapslening civielrechtelijk en niet fiscaal-materieel worden toegepast. Hij acht zijn benadering en die van de Rechtbank overigens niet zozeer materieel is als wel juridisch op basis van de relevante documenten en overeenkomsten in hun samenhang. Ten slotte is het Hof volgens dit middel onvoldoende ingegaan op het door u in HR
BNB2020/117 bedoelde gezamenlijke oogmerk van de partijen bij de lening-overeenkomst. Het Hof is ten onrechte niet ingegaan op het gegeven dat belanghebbendes belastingadviseur zelf heeft gezegd dat de directe opeisbaarheid van de schuld in wezen niets voorstelt. De Staatssecretaris concludeert:
Transfer Pricing Guidelinesnopen er toe om bij onzakelijke gelieerde leningen de hele rente fiscaal te elimineren, nu er noch een onafhankelijke financier, noch een niet aan de crediteur gelieerde debiteur te vinden is die onder dezelfde voorwaarden welke lening dan ook zouden zijn overeengekomen. De Staatssecretaris betoogt:
mismatchesen dat zou aanleiding moeten zijn om haar meer in lijn te brengen met de OESO-TP-benadering brengen. Hij betoogt:
ad principaal middel (iv)dat de regel van HR
BNB2013/149 [17] (de
crediteurvan een onzakelijke lening moet haar verzakelijkte rentevordering op de waarde in het economische verkeer stellen) ook moet worden toegepast bij de
debiteur. Hij beroept zich voor deze spiegelbeeldbenadering op HR
BNB2016/133 [18] , HR
BNB2010/273 [19] en de (nieuwe) kostenarresten zoals HR
BNB1986/295. [20] Uit HR
BNB2016/133 volgt dat de rentevordering bij crediteur én debiteur voor hetzelfde bedrag in de kapitaalsfeer valt. Het
Fokker I-arrest HR
BNB2000/269 [21] is niet relevant omdat die zaak geen onzakelijke lening betrof en evenmin een rentevordering, maar de hoofdsom. De Staatssecretaris verwijst naar
Verseput, [22] volgens wie uit HR
BNB2013/149 volgt dat de objectieve rente die bij de crediteur belast is, tot hetzelfde bedrag bij de debiteur aftrekbaar moet zijn. Ook uit de (nieuwe) kostenarresten volgt dat ingrepen in de totaalwinst bij debiteur en crediteur symmetrisch geschieden. Zou
Fokker Iwél relevant zijn, dan doen zich de in dat arrest bedoelde extreme omstandigheden voor die nopen tot afwijking van de hoofdregel dat de schuldenaar uit moet gaan van de nominale waarde van zijn verplichtingen. Uit HR
BNB2010/273 volgt overigens dat goed koopmansgebruik zich verzet tegen passivering van kosten waarvan zo goed als zeker is dat zij nooit zullen worden betaald. Op basis van deze symmetrie/spiegelbeeldigheid leiden de twee stappen tot bepaling van een zakelijke rente op een onzakelijke lening (1. bepaling van een borgstellingsanaloge rente (HR
BNB2012/37 [23] ); 2. bepalen of die rente in de kapitaalsfeer valt als zij wordt bijgeschreven en zo goed als zeker nooit wordt betaald (HR
BNB2013/149 [24] )) in casu tot nul aftrekbare rente. Bij uw borgstellingsanaloge rentebepaling ging u volgens de Staatssecretaris in HR
BNB2013/149 (r.o. 3.5.1 en r.o. 3.5.2) uit van een lening met overigens voldoende zekerheden (“alsof sprake was geweest van een rentedragende zakelijke lening [25] ”). De Staatssecretaris onderschrijft in beginsel ‘s Hofs oordeel bij stap 1 dat bij contractuele opeisbaarheid na 10 jaar uitgegaan kan worden van de rente op een 10-jarige staatsobligatie, maar hij meent dat bij stap 2 (waardering van de rentevordering op WEV) geconcludeerd moet worden dat die rente niet aftrekbaar is. Dat volgt zijns inziens uit de in HR
BNB2013/149, r.o. 3.5 - 3.6 gegeven invulling aan r.o. 3.3.6 van HR
BNB2012/37. Het Hof heeft zijns inziens ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd het standpunt verworpen dat de renteaftrek nihil is als gevolg van de WEV-regel uit HR
BNB2013/149. De gedingstukken laten zijns inziens geen andere conclusie toe dan dat vaststaat of zo goed als zeker is dat de rentetermijnen nooit zullen worden betaald.
Mauritius-arrest. [26] Uit de feiten volgt volgens de Staatssecretaris onmiskenbaar dat bij geen van de investeerders sprake is van rechtstreekse financiering, zodat het Hof niet zonder afweging van de zakelijke en onzakelijke motieven van alle aandeelhouders kon oordelen dat de belanghebbende voor het aan de co-investeerders toe te rekenen deel van de SHL zou hebben voldaan aan de op haar rustende tegenbewijslast.
fraus legis, waarvoor het Hof na toepassing van art. 10a Wet Vpb geen ruimte meer zag. De Staatssecretaris betoogt
primairdat daarvoor wel degelijk ruimte bestaat bij de 35,5% van de SHL die geen verband hield met besmette rechts-handelingen en
subsidiairdat die ruimte er in elk geval is voor het deel van die 35,5% dat het Hof heeft toegerekend aan het volgens hem niet door art. 10a geraakte deel van de SHL afkomstig van anderen dan [D] en [C] Fund. Aan het objectieve vereiste van
fraus legis(strijd met doel en strekking van de wet) is zijns inziens voldaan:
BNB2015/165, r.o. 3.1.3). Volgens rechtbank Noord-Holland, Hof Amsterdam [27] en A-G Wattel [28] geldt dat niet alleen voor de rechtstreekse toepassing van artikel 10a Wet Vpb 1969, maar ook voor gevallen waarin de aan die bepaling besloten of ten grondslag liggende norm in geding is. Met andere woorden: ook al wordt de renteaftrek niet op basis van de letterlijke tekst van de in de diverse stellingen gebezigde wetsartikelen onmogelijk, doel en strekking van de Wet Vpb 1969 als geheel verzetten zich tegen een dergelijke alleen op basis van fiscale motieven of voor fiscale doeleinden gecreëerde renteaftrek; de wetgever heeft beoogd rente op geldleningen die - behoudens het verijdelen van belastingheffing - geen reële (zakelijke) functie hebben, niet in aftrek toe te laten. Tot slot wijs ik nog op het arrest HR 26 april 1989,
BNB1989/217:
fraus legisis volgens de Staatssecretaris voldaan:
BNB1996/4 (HR 6 september 1995, nr. 27927, ECLI:NL:HR:1995:AA1683). Dat geldt voor de gehele SHL en is feitelijk ook het geval voor zover het de verkoper en het management van de [F] groep betreft. Ook in die situatie is sprake van uitholling omdat de rente bij [E] en het management niet als een rentebate wordt belast en bij belanghebbende wel renteaftrek wordt geclaimd. De gekozen 'tax structure" heeft naast de beoogde verijdeling van de belastingheffing geen reële betekenis. Om die reden heeft het Hof ten onrechte met een beroep op fraus legis de renteaftrek niet geweigerd.
BNB2020/117) en voldoende gemotiveerd. Het Hof heeft wel degelijk het gezamenlijke oogmerk van beide partijen bezien door rekening te houden met de veronderstelde investeringsstrategie. Een feitelijke looptijd
korterdan 10 jaar acht zij te meer reden om de lening als vreemd vermogen te zien. Met Knops (
FED2020/107) meent zij dat het voorbijgaan aan zelfstandige betekenis missende bedingen slechts strekt tot het achterhalen van de werkelijk overeengekomen voorwaarden, en dat heeft het Hof gedaan. De opeisbaarheid en andere bedingen uit hoofde van de
Intercreditor Agreementzijn volgens de belanghebbende voor de looptijd niet van belang. Zij benadrukt dat als aan het looptijdcriterium voor een deelnemerschapslening wél voldaan zou zijn, er nog twee andere vereisten gelden en dat de rente weliswaar hoog was, maar de lening niet winstdelend, terwijl ’s Hofs r.o. 4.3.4.5 inhoudt dat de rente reëel was.
principaal middel (ii)brengt de belanghebbende in dat het Hof het totale-winstbetoog impliciet en terecht heeft verworpen. Gezien HR
BNB1989/217 en HR
BNB2012/37 biedt het totale-winst- c.q.
arm’s-lengthbeginsel geen basis voor algehele aftrekweigering van rente op schulden van kapitaalvennootschappen, maar alleen voor correctie tot een zakelijk niveau. Die toets aan het zakelijkheidsbeginsel heeft het Hof uitgevoerd bij zijn onderzoek naar de (on)zakelijkheid van de SHL.
Transfer Pricing Guidelinesals rechtsregels te doen gelden. [30] Uit HR
BNB2002/343 [31] volgt overigens dat u het
arm’s-lengthbeginsel al vóór invoering van art. 8b Wet Vpb toepaste in de context van het totale-winstbeginsel, expliciet ook bij de onzakelijke lening in HR
BNB2012/37 (r.o. 3.3.2), voor een belastingjaar (2001) vóór introductie van art. 8b Wet Vpb. Uit dat arrest blijkt ook duidelijk dat het daarbij om het crediteursperspectief gaat. De belanghebbendes ziet dus geen ruimte voor de door de Staatssecretaris gewenste tweezijdige perspectief en evenmin aanleiding voor terugkomen van uw onzakelijke-leningrechtspraak, gelet op de weloverwogenheid en de recente datum ervan. Anders dan de Staatssecretaris stelt, is Nederland volgens de belanghebbende op
transfer pricinggebied geen ‘buitenbeentje’. Uit het landenoverzicht van de Staatssecretaris volgt slechts dat ook andere landen, net als Nederland, de TP-beginselen ook toepassen bij financiële transacties, maar niet
hoezij die beginselen daarop toepassen. Aanvaarding van de tweezijdig-perspectiefbenadering van de Staatssecretaris zou volgens de belanghebbende overigens niet noodzakelijkerwijs leiden tot volledige aftrekuitsluiting.
verschuldigdwordt geacht, maar ter zake van de
waarderingvan die rentevordering/verplichting betoogt zij als volgt:
BNB2013/149, r.o. 3.5.2, inhoudende dat - voor de geldverstrekker - "de vervallen rente [zal] moeten worden gewaardeerd op de waarde die op dat moment aan die vordering in het economische verkeer kan worden toegekend", ziet echter niet op de beprijzing van het debiteurenrisico (die voor beide partijen gelijk moet zijn), maar op het nadeel van het zich voltrekkend debiteurenrisico. Dat nadeel is iets dat naar zijn aard alleen de crediteur ten deel valt. De debiteur wordt immers niet bevrijd van zijn schuld. Er is daarom geen grond voor een afwaardering van de renteschuld.”
middel (v)brengt de belanghebbende in dat art. 10a Wet Vpb een inbreuk is op het beginsel van financieringsvrijheid, dat samen met HR
BNB2015/165 [32] meebrengt dat een geldlening die een externe acquisitie financiert alleen onzakelijk is als zij onzakelijk is omgeleid. [33] De Staatssecretaris betoogt dat het Hof had moeten aannemen dat (ook) het geld verstrekt door andere investeerders (dan [C] Fund en [D] Fund) onzakelijk zou zijn omgeleid, maar de belanghebbende ziet niet hoe de enkele omstandigheid dat (ook) die geldverstrekking via de PEC’s verliep, een onzakelijke omleiding zou impliceren. Verwijzend naar onderdeel 5.22 van de conclusie van 31 januari 2020 [34] in de aanhangige zaak 19/02596, betoogt zij dat niet kan worden gezegd dat daarbij sprake was van rechtshandelingen zonder reële praktische of economische betekenis, rechtshandelingen met een voorzienbaar economisch nadelig of ander irrationeel gevolg, of van kunstgrepen.
fraus legisalleen nog aan de orde kan komen voor het SHL-deel dat geen besmette rechtshandelingen ex art. 10a(2) Wet Vpb financierde. Volgens haar heeft de Staatssecretaris voor dat deel van de SHL (35,5%) echter geen begin van motivering geleverd waarom enige daarmee verband houdende rechtshandeling onzakelijk zou zijn.
Fraus legiskan zich haars inziens slechts voordoen bij mogelijkheden tot repeterende renteaftrek: als de tot aftrek leidende rechtshandelingen naar willekeur herhaald kan worden, los van een reële financieringsbehoefte. Dat doet zich in casu echter niet voor.
middel (i)ziet de Staatssecretaris in ’s Hofs opmerkingen over de investeringsstrategie voor de [F] Group geenszins dat bij de beoordeling van de realiteit van de leninglooptijd het
gezamenlijkeoogmerk van de partijen bij de lening heeft meegewogen zoals bedoeld in HR 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:874. Dat de bankleningen een kortere looptijd dan 10 jaar hadden, neemt niet weg dat in geen enkel waarschijnlijk scenario binnen of na 10 jaar de hoofdsom en de bijgeschreven rente betaald zouden kunnen worden en evenmin dat het Hof heeft verzuimd te toetsen aan de andere criteria voor een deelnemerschapslening.
middel (ii)herhaalt de Staatssecretaris dat het Hof de totale-winststelling van de Inspecteur ofwel niet heeft behandeld, ofwel zijn – volgens de belanghebbende impliciete – verwerping ervan niet heeft gemotiveerd.
middel (iii)gaat de Staatssecretaris in op de geschiedenis van art. 8b Wet Vpb (
arm’s lengthbeginsel) en herhaalt hij dat (i) het Hof de lening(voorwaarden) tweezijdig aan dat beginsel had moeten toetsen in plaats van alleen bij de crediteur, nu het in casu om de debiteur gaat, en (ii) uw onzakelijke-leningdoctrine wezenlijk afwijkt van de OESO
transfer pricing guidelines. De Staatssecretaris bevestigt dat hij meent dat u die doctrine moet heroverwegen in het licht van de OESO
soft lawomdat zij dermate afwijkt van internationale consensus en economische realiteit dat internationaal
mismatchesontstaan. Dat geldt met name voor borgstellingsanaloge en risicovrije rente-imputatie. Hij verwijst opnieuw naar de bijlage bij zijn cassatieberoepschrift ten betoge dat andere landen bij de toepassing van de OESO TPG renteaftrek weigeren op leningen die tussen onafhankelijke derden niet zouden zijn overeengekomen. Ook art. 8b Wet Vpb moet aldus toegepast worden, gegeven des wetgevers bedoeling om de OESO-consensus over het
arm’s lengthbeginsel te codificeren.
middel (iv)weerspreekt de Staatssecretaris belanghebbendes opvatting dat de waardering van een vervallen rentetermijn op de waarde in het economische verkeer geen beprijzing van het debiteurenrisico is (die voor beide partijen gelijk moet zijn), maar het nadeel van een gerealiseerd debiteurenrisico vormt, dat naar zijn aard alleen bij de crediteur kan optreden. Uit r.o. 2.4.2. van HR 22 april 2016, nr. 15/03701, ECLI:NL:HR:2016:703, volgt zijns inziens dat het onzakelijke debiteurenrisico zich bij zowel de crediteur als de debiteur in de kapitaalsfeer bevindt. De waarde in het economisch verkeer van de renteschuld op een onzakelijke lening is zijns inziens een totale-winstkwestie en geen kwestie van goed koopmansgebruik (geen jaarwinstbepaling). Uw onzakelijke-leningdoctrine beoogt immers juiste vaststelling van de totale winst, zo volgt expliciet uit r.o. 3.5.2 van HR
BNB2013/149. In casu rijst de vraag hoe de totale-winstbepaling en de jaarwinstbepaling zich tot elkaar verhouden bij niet-betaalde 'normale' rente (2,5% per jaar) op een onzakelijke lening. Als die rente op basis van de totale-winstbepaling niet in aftrek komt omdat zij geen waarde heeft in het economische verkeer, acht de Staatssecretaris het ongerijmd dat zij juridisch, via de jaarwinstbepaling, toch aftrekbaar zou kunnen zijn.
middel (v)repliceert de Staatssecretaris dat de Inspecteur wel degelijk heeft gesteld dat (het hybride karakter van) de PECs een onzakelijke omleiding van de geldverstrekking inhoudt. De hybride PEC's en de SHL zetten slechts eigen vermogen van de investeerders om in vreemd vermogen bij de belanghebbende zonder reële praktische of economische betekenis, hebben een voorzienbaar economisch nadelig of ander irrationeel gevolg, of zijn kunstgrepen. De financieringsstructuur raakt volgens de Staatssecretaris bedrijfseconomisch kant noch wal en heeft buiten het fiscale geen betekenis. Bij de co-investeerders, [E] en het management moet volgens hem dezelfde maatstaf worden aangelegd dan bij de [A] -fondsen. Ook hun PEC's waren hybride, ook zij participeerden op gelijke wijze in de financieringsstructuur en de belanghebbende heeft ook over hen geen of nauwelijks informatie overgelegd, hetgeen dus evenzeer op een onzakelijke omleiding wijst als diezelfde omstandigheden bij de PECs die naar de [A] -fondsen liepen. Materieel zijn alle investeerders gelieerd door een gecoördineerde investering van een samenwerkende groep, inclusief [E] , het management en de co-investeerders, waarbij de
general partnersvan de [A] -LPs op Jersey het voor het zeggen hadden in (de onderneming van) belanghebbende. Ook naar buiten toe is door hen opgetreden namens alle investeerders.
middel (vi)bestrijdt de Staatssecretaris dat
fraus legisalleen relevant kan zijn voor de 35,5% van de SHL die geen verband houdt met een art. 10a-rechtshandeling. Hij bestrijdt de volledige renteaftrek met
fraus legis, ook op het deel van de SHL dat al onder art. 10a Wet Vpb valt. Tegen belanghebbendes verweer dat het niet gaat om een naar willekeur herhaalbare kunstgreep zoals een interne verhanging, maar om een externe overname, brengt de Staatssecretaris in dat de anti-fiscale financieringsstructuur gedurende de volle looptijd van de SHL voortdurend de winst van de
targeterodeert en dat de structuur bij elke volgende overname opnieuw kan worden gebruikt. Dat is volgens hem frauslegiaanse grondslaguitholling. Hij herhaalt dat het Hof daar ten onrechte niet op in is gegaan.
Ad middel (i)dupliceert de belanghebbende dat uit de repliek van de Staatssecretaris niet volgt dat het Hof een relevant gezamenlijk oogmerk van de partijen ten onrechte niet zou hebben meegewogen, en dat hoe dan ook vast staat dat de voor een deelnemerschapslening vereiste onbepaalde looptijd zich niet voordoet.
Ad middel (ii)meent de belanghebbende dat ook als het Hof de totale-winststelling van de Inspecteur niet (impliciet) zou hebben behandeld en verworpen, zulks niet tot cassatie leidt.
Ad middel (iii)herhaalt de belanghebbende dat uit de bijlage bij het principale cassatieberoepschrift slechts volgt
dathet
arm's lengthbeginsel in andere landen wordt toegepast, maar niet
hoe, en niet volgt dat geen enkele renteaftrek zou zijn toegestaan, anders dan de Staatssecretaris bij repliek (p. 10) suggereert. De onzakelijke-leningdoctrine kan gezien worden als invulling van het
arm's lengthbeginsel.
Ad middel (iv)acht de belanghebbende het onzinnig om uw waarderingsregel (HR
BNB2013/149) voor een op basis van HR
BNB2012/37 verzakelijkte rentevordering op een onzakelijke lening toe te passen op de debiteur, omdat die toepassing tot een winst zou leiden die de debiteur nooit zal maken. Dat de rentevordering door de crediteur is gecedeerd voor nagenoeg nihil, wil niet zeggen dat de debiteur winst maakt. Ad
middel (v)dupliceert de belanghebbende dat de Inspecteur in feitelijke instanties niet heeft onderbouwd dat, zoals de Staatssecretaris voor het eerst in cassatie stelt, het gebruik van PECs op zichzelf al een onzakelijke omleiding zou inhouden ook voor zover gehouden door anderen dan de [A] -fondsen. Anders dan de Staatssecretaris stelt (repliek p. 17), heeft het Hof geen afwijkende maatstaf aangelegd bij die andere investeerders, die niet in dezelfde positie verkeren als de [A] -fondsen. Met zijn repliek ad
middel (vi)tenslotte, stelt de Staatssecretaris volgens de belanghebbende in wezen dat een financieringsstructuur waarin een Luxemburgse vennootschap PEC's uitgeeft en het geld dooruitleent al strijd met doel en strekking van de wet zou opleveren. Dat standpunt moet haars inziens met kracht worden bestreden als onverenigbaar met het legaliteitsbeginsel, op bescherming waardoor belastingplichtigen moeten kunnen rekenen.
joart. 54 VwEU Pro, doordat het Hof ten onrechte de EU-vestigingsvrijheid niet geschonden achtte, hoewel art. 10a Wet Vpb aftrek van rente betaald aan een in Luxemburg gevestigde moeder beperkt, waardoor het risico van dubbele heffing ontstaat, dat niet bestaat als die moeder in een fiscale eenheid met de belanghebbende zou zijn gevoegd, hetgeen echter voorbehouden is aan in Nederland gevestigde vennootschappen.
BNB2011/37 (r.o. 3.3.5) moet worden beoordeeld of de SHL één of meer debiteurenrisico's meebrengt. Bij één overeenkomst kunnen meer leningen overeengekomen worden met verschillende voorwaarden, die (dus) verschillende debiteurenrisico’s kunnen hebben. Nu de tranches van de SHL separaat gecedeerd kunnen worden en elke volgende tranche achtergesteld is bij de vorige, neemt het risico per nieuwe tranche toe, aldus de belanghebbende, zodat verwezen moet worden voor een beoordeling per tranche van de zakelijkheid van het debiteurenrisico.
middel (2)volgt uit HR
BNB2017/156 [35] dat een leenschuld die in feite aan een derde is verschuldigd (schuldparallellie), zakelijk is in de zin van art. 10a(3)(a) Wet Vpb. De belanghebbende acht onbegrijpelijk (inconsistent) dat het Hof aanvankelijk op basis van uw rechtspraak parallellie tussen de B-PEC’s en de SHL aanneemt, maar die vervolgens toch niet aanwezig acht op grond van omstandigheden die niet relevant zijn en die in uw jurisprudentie niet zijn benoemd, zoals het al dan niet hybride karakter van de PECs. Het Hof is volgens de belanghebbende buiten het geschil gegaan; zijn oordeel dat zij onvoldoende informatie zou hebben verschaft over (de rechtsvorm van) Fund [C] en [D] Fund, gaat volgens haar uit van een onjuiste bewijslastverdeling.
BNB2016/197, [36] dat rept van een ‘binnen concern opgezette financieringsstructuur’. De belanghebbende ziet zich gesteund door de toelichting van de Minister van Financiën als medewetgever van art. 10a Wet Vpb [37] en door uw rechtspraak dat motieven van derden niet kunnen worden toegerekend aan een belastingplichtige. [38]
middel (4)is de vrije vestiging in de EU geschonden. [G] heeft van die vrijheid gebruik gemaakt door haar belang in de belanghebbende. Zou [G] in Nederland gevestigd zijn, dan had zij met de belanghebbende een fiscale eenheid kunnen vormen en was art. 10a Wet Vpb niet op de belanghebbende toegepast. Weliswaar zou er dan ook geen renteaftrek zijn geweest om te beperken, maar dat maakt volgens de belanghebbende niet uit omdat art. 10a Wet Vpb internationale
mismatches(dubbele belasting) kan doen ontstaan die binnenslands niet kunnen ontstaan. Uit HR
BNB2019/17 blijkt dat de vergelijking met de binnenlandsituatie in de per-element-beoordeling van de effecten van de fiscale eenheid niet wordt doorgevoerd tot een hypothetische situatie waarin de niet-ingezeten concern-vennootschap is opgenomen in een fiscale eenheid met de ingezeten concernvennootschap.
middel (1)acht de Staatssecretaris ‘s Hofs oordeel dat het om één lening gaat, feitelijk en niet onbegrijpelijk. Voor zoveel nodig voert hij feiten en omstandigheden aan waaruit zijns inziens volgt dat het gaat om één lening met één debiteurenrisico, waaronder het feit dat de eerste vijf tranches ad in totaal € 532,7 mln. simultaan als één bedrag
drawn downzijn. Hij meent overigens dat uit HR
BNB2013/149 (een lening kan niet gesplitst worden in een zakelijk en onzakelijk deel) volgt dat alleen als de SHL civielrechtelijk in meer leningen was gesplitst, sprake zou kunnen zijn geweest van meer debiteurenrisico's.
middel (2)((geen) schuldparallellie) ziet de Staatssecretaris geen inconsistentie in ’s Hofs oordeel, noch enige verlating van de rechtsstrijd, maar een verkeerde weergave van ’s Hofs oordeel. Ook hier gaat het zijns inziens om een feitelijk en voldoende gemotiveerd oordeel, maar ook hier voert hij veiligheidshalve feiten en onstandigheden aan waaruit zijns inziens volgt dat de belanghebbende geen schuldparallellie aannemelijk heeft gemaakt. Het bewijsrisico van onduidelijkheid over de financieringsstructuur en de vraag of de PECs werden gehouden door derden, lag bij de belanghebbende.
middel (3)meent de Staatssecretaris dat de belanghebbende van een te beperkt begrip van een ‘onzakelijke omleiding’ uitgaat. Hij leidt uit HR
BNB2015/165 af dat de financieringsstructuur in zijn geheel moet worden beoordeeld, alsmede de beweegredenen van alle betrokkenen bij de SHL en de daarmee verband houdende rechtshandeling.
middel (4):het Hof heeft het beroep op de EU-vestigingsvrijheid volgens de Staatssecretaris terecht afgewezen omdat bij voeging geen schuld of rente meer zichtbaar is en misbruikers geen beroep op EU-recht hebben. Het HvJ EU heeft zijns inziens in punt 40 van HvJ EU 22 februari 2018, zaak C-398/16 (X BV), al beslist dat effecten die inherent zijn aan fiscale voeging, zoals wegvallen van onderlinge 10a-vorderingen en -schulden, niet discriminatoir zijn, en vaste rechtspraak is dat EU-recht niet misbruikt kan worden om nationale wetgeving te frustreren. Het gestelde risico van dubbele heffing bestaat zijns inziens niet, nu zich in casu immers juist géén rente
pick upin het buitenland voordoet, en zelfs als dat anders zou zijn, gaat het dan om een dispariteit, niet om discriminatie.
principaal middel (vi)(
fraus legis) te beperkt uitlegt. Het beroep op
fraus legisziet op de volle renteaftrek. Het Hof heeft dat beroep volgens de Staatssecretaris ten onrechte beperkt tot
frausart. 10a Wet Vpb 1969, terwijl het (ook) gaat om de delen van de renteaftrek die het Hof niet heeft gecorrigeerd. Voor het onder art. 10a vallende deel had de Staatssecretaris in cassatie vooralsnog geen belang bij beroep op
fraus legis, maar als u zijn middel (vi) net zo beperkt leest als de belanghebbende, wil de Staatssecretaris bij ‘incidenteel beroep’ verduidelijken dat hij zijn
fraus legisstelling betrekt op de gehele renteaftrek, met name als u belanghebbendes incidentele beroep inzake art. 10a Wet Vpb 1969 (middelen 2 en/of 3) gegrond zou achten; dan breidt hij zijn middel (vi) expliciet uit tot het deel van de SHL dat volgens het Hof (wel) onder art. 10a wet Vpb 1969 valt. De Staatssecretaris verwijst naar zijn toelichting op middel (vi) en zijn repliek op belanghebbendes verweer daartegen.
middel (1)dat er maar één lening is, maar volhardt dat er evenveel (oplopende) debiteurenrisico’s als tranches zijn. Ad
middel (2)repliceert zij dat de Inspecteur het ontbreken van parallellie slechts onderbouwde met verschillen tussen de B-PECs en de SHL en niet met de stelling dat de SHL ook uit andere middelen is gefinancierd, zodat het Hof daar wel degelijk buiten de rechtsstrijd is getreden; bovendien heeft het Hof de belanghebbende de onmogelijke last opgelegd te bewijzen dat iets er niet is, nl. dat [D] Fund en Fund [C] géén rechtsvorm hebben. Zij herhaalt dat niet-verbonden lichamen en niet-gelieerde personen "echte derden" zijn. Ad
middel (3)herhaalt de belanghebbende dat [G] ’s aandeelhouders niet ‘verbonden’ zijn met [G] of de belanghebbende omdat geen van hen tenminste een derde belang in [G] heeft. Ad
middel (4)repliceert zij dat art. 10a Wet Vpb binnenslands kan worden uitgeschakeld door een fiscale eenheid aan te gaan en dat dat voordeel van consolidatie aan de grensoverschrijder wordt ontzegd, hetgeen haars inziens een verboden onderscheid is.
middel (1)persisteert de Staatssecretaris dat er maar één leningovereenkomst met één debiteurenrisico is. Ad
middel (2)meent hij dat de belanghebbende het Hof ten onrechte verwijt buiten het geschil te zijn getreden en dat de belanghebbende selectief citeert en verwijst. Ad
middel (3)bestrijdt hij dat een onzakelijke omleiding zich alleen binnen een groep van formeel verbonden lichamen kan voordoen. Bij art. 10a Wet Vpb past geen formele benadering omdat de materiële werkelijkheid bepaalt of anti-fiscale motieven de doorslag gaven. Dat leest de Staatssecretaris ook in HR
BNB2015/165. Het past daarbij om de motieven van alle bij de financiering betrokkenen te bezien, bijvoorbeeld ook als zij slechts gelieerd zijn en niet 'verbonden'. Belanghebbendes opvatting leidt ertoe dat een grondslag-uithollende financieringsstructuur niet zou kunnen worden bestreden als zij juridisch maar slim opgezet wordt. Ad
middel (4)dupliceert de Staatssecretaris dat de belanghebbende uitgaat van een onjuiste opvatting over de inhoud en reikwijdte van toegang tot het EU-recht.
4.De grote lijn
shareholder loanfiscaal herkwalificeren tot eigen vermogen, hetzij door de criteria van de deelnemerschapslening op te rekken, hetzij door toepassing van het totale-winstbegrip, met name uw Renpaarden-rechtspraak (‘geen redelijk denkende ondernemer’), hetzij door toepassing van het armslengtebeginsel zoals te begrijpen uit het OECD TP Report 2010. Met het Hof meen ik dat al deze pogingen tot oprekking van uw bestaande herkwalificatierechtspraak falen en dat wij op basis van de door het Hof vastgestelde feiten van doen hebben met een onzakelijke lening die niet prijsgecorrigeerd kan worden, zodat wij in de weer moeten met eliminatie van het onzakelijke debiteurenrisico op andere wijze.
fraus legis. Aangezien aan de toepassingsvoorwaarden van art. 10a Wet Vpb is voldaan, rust op de belanghebbende de last te bewijzen dat voor de lening zakelijke motieven bestonden, nu van een compenserende heffing geen sprake is. Volgens het Hof is zij daarin niet geslaagd, noch door schuldparallellie aannemelijk te maken, noch door ’s Hofs op de vastgestelde feiten gebaseerde vermoeden van een onzakelijke omleiding langs (hybride) configuraties in de Kaaimaneilanden, Jersey en Luxemburg te ontzenuwen. Ik acht dat bewijsoordeel rechtskundig juist en voldoende gemotiveerd en meen dat belanghebbendes daartegen gerichte middelen stranden, gegeven de nevelen waarin zij de financieringsstructuur volgens het Hof heeft gelaten, hetgeen voor haar bewijsrisico blijft. Haar klacht dat er niet één lening met één debiteurenrisico zou zijn, maar acht leningen met acht risico’s, strandt op feitelijkheid en art. 81 Wet Pro RO.
mismatchesworden voorkomen, wat trouwens ook de Staatssecretaris wil, zodat dit middel wat raadselachtig is, nu het pleit voor een
mismatchtussen crediteur en debiteur qua rentevoet zodra hun kredietwaardigheid uiteenloopt.
fraus legisheeft dan geen voorwerp meer.
Principale middelen (i) en (ii): herkwalificatie, armslengte, totale winst en redelijk denkende ondernemers
BNB1988/217 [39] genoemde gevallen van fiscale herkwalificatie van leningen in eigen vermogen (structurele verliesfinanciering, schijn en deelnemerschap) nóg een geval erkent waarin een gelieerde niet-armslengtelening moet worden geherkwalificeerd tot eigen vermogen, nl. de ‘geen-redelijk-denkende-ondernemer-lening’ of ‘Renpaarden-lening’, zulks op grond van het totale-winstbeginsel. Principaal middel (i) poogt mijns inziens hetzelfde, maar dan door uw criteria (HR
BNB1998/208 [40] ) voor de deelnemerschapslening te verruimen, met name het criterium ‘onbepaalde looptijd’. Het Hof had volgens deze middelen het samenstel van feiten en overeenkomsten in afwijking van het civiele recht fiscaalrechtelijk aldus moeten kwalificeren dat in de (fiscale) werkelijkheid de SHL zich op geen enkel relevant punt onderscheidt van de kapitaaldeelname, zodat zij fiscaalrechtelijk als kapitaal moest worden beschouwd.
BNB1995/15 (privé-reiskosten) [44] en HR
BNB2002/290 (kosten van renpaarden). [45] Die zaken betroffen pogingen tot aftrek van uitgaven die redelijkerwijs niet met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming konden zijn gedaan. In HR
BNB1995/15 overwoog u:
BNB1978/252 [46] en de nieuwe kosten-arresten zoals HR
BNB1986/295. [47] In die zaken stond buiten twijfel dat de concernlening c.q. de dga-arbeid ondernemingsdoelen diende. Van privé-behoeften-bevrediging van de grootmoeder c.q. de dga was geen sprake, integendeel. Er werd geen of te weinig rente c.q. loon in rekening gebracht door de grootmoeder resp. de dga en de vraag was of dat bij de bevoordeelde vennootschap tot fiscale winst of een informele kapitaal-vergroting leidde. HR
BNB1995/15 (Privéreiskosten) daarentegen ging niet over onzakelijke voorwaarden van een ondernemingsdienstige handeling, maar over ondernemingsvreemde handelingen (onttrekkingen) waarvan de effecten de fiscale winst niet behoorden te beïnvloeden. HR
BNB2002/290 (Renpaarden) verduidelijkte HR
BNB1995/15 aldus dat een uitgave van een BV alleen buiten dier ondernemingssfeer en daarmee buiten de fiscale winst valt als zij is gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder:
BNB1995/15, wel is afgeleid, ontberen door een vennootschap gedane uitgaven slechts dan een zakelijk karakter - en kunnen zij derhalve niet ten laste van de winst worden gebracht - indien en voor zover zij zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s).”
BNB1988/217), (b) de uitsluiting van onzakelijke debiteurenrisico’s uit de belaste-winstsfeer, en (c) de prijscorrecties op basis van de Zweedse-grootmoederdoctrine nog meer mogelijkheden zijn tot herkwalificatie van gelieerde leningen tot eigen vermogen, en dat pas na beoordeling van die op de totale winst c.q. het armslengtebeginsel gebaseerde mogelijkheden toegekomen kan worden aan art. 10a Wet Vpb of
fraus legis.
BNB1988/217 en de prijs(rente)correctie ex het Zweedse-grootmoederarrest: als een gelieerde lening met een onzakelijk debiteurenrisico niet tevens voldoet aan de
BNB1988/217-criteria wordt zij niet geherkwalificeerd tot eigen vermogen, maar wordt in beginsel de prijs voor dat risico (de rente) gecorrigeerd op basis van het totale-winst- of armslengtebeginsel, leidende tot een informele kapitaalstorting (bij te lage rente) of een verkapte winstuitdeling (bij te hoge rente). Maar als prijscorrectie niet kan zonder de gelieerde lening in feite winstdelend te maken, wordt de onzakelijkheid van het debiteurenrisico gecorrigeerd door aftrek wegens onvolwaardigheid bij de crediteur te weigeren en de rente te corrigeren op basis van een borgstellingsanalogie (de gelieerde lening wordt vergeleken met een externe lening waarvoor de gelieerde (en kredietwaardige) geldverstrekker borg staat).
counterfactualgeredeneerd worden. Het was eenvoudiger geweest om een gelieerde lening met een niet door een vaste hoge rente compenseerbaar debiteurenrisico - waarvoor per definitie geen derde-verstrekker gevonden kan worden - fiscaalrechtelijk ofwel in haar geheel als kapitaal aan te merken, ofwel bij de gelieerde crediteur als
junk bondte waarderen op wat een derde ervoor zou betalen op het moment van aangaan, en het verschil met nominaal aan te merken als informeel kapitaal (en de rente evenredig met die afwaardering als onaftrekbaar c.q. vrijgesteld te beschouwen).
mismatcheskunnen ontstaan, impliceert geenszins dat Nederland zich aan het recht van die andere Staten zou moeten aanpassen. Ook als uw benadering wél op gespannen voet zou staan met een bepaalde OESO-consensus, gaat de OESO
soft lawoverigens niet voor op Nederlands recht, net zomin als zo’n consensus voor zou gaan op art. 10a Wet Vpb.
BNB2012/37 [48] en HR
BNB2015/141. [49] In het eerste arrest overwoog u:
BNB2002/231).
BNB1988/217 en HR
BNB1998/208 [50] ), ofwel om een onzakelijke lening die niet wordt geherkwalificeerd, maar waarvan de prijs (de rente) wordt gecorrigeerd of, als dat niet kan zonder de lening winstdelend te maken, het onzakelijke debiteurenrisico wordt gecorrigeerd door de consequenties ervan uit de fiscale winst te verwijderen.
BNB2016/197 (Italiaanse Telecom) [51] blijkende financieringsvrijheid van concerns, zie ik ook geen reden voor uitbreiding van de drie ex HR
BNB1988/217 bestaande herkwalificatiegevallen met een vierde categorie ‘Renpaarden-leningen’: zulke geen-redelijk-denkende-ondernemer-leningen zijn mijns inziens ofwel als lening relatieve schijn omdat ze ondernemingsvreemd zijn, ofwel deelnemerschapsleningen en vallen daarom dus al onder HR BNB 1988/217, ofwel
fraus legis, zoals in Holdingconstructies waarin de lening geen enkele reële rol vervult in de ondernemingsfinanciering en de uiteindelijke vermogensverhoudingen niet wijzigen. Dan kan volgens HR BNB 1988/217 slechts tot vermomd eigen vermogen geconcludeerd worden bij structurele verlies-financiering of deelnemerschap. Van het eerste is geen sprake en voor het tweede ontbreekt de vereiste onbepaalde looptijd. Dan resteert slechts de onzakelijke lening.
Fraus legisdoet zich volgens het Hof niet voor omdat de onzakelijkheid van de SHL al weggenomen wordt door toepassing van (i) uw onzakelijke-leningdoctrine en (ii) art. 10a Wet Vpb.
returnuit vermogenswinst op aandelen of uit opgetaste rente zou bestaan en dat het risico en rendement op beide vormen van geldverstrekking vergelijkbaar was, leidt op zichzelf niet tot herkwalificatie van civielrechtelijk vreemd vermogen tot fiscaalrechtelijk eigen vermogen.
binnenhet bestaande kader van HR
BNB1988/217. Het poogt uw criteria voor de deelnemerschaps-lening ex HR
BNB1998/208 op te rekken, met name de ‘onbepaalde looptijd’. Het stelt dat de overeengekomen SHL-looptijd een wassen neus is omdat ondenkbaar is dat zonder
cash event(wederverkoop van de [F] groep) afgelost zal (kunnen) worden. De looptijd is daarmee feitelijk gelijk aan die van de kapitaalverstrekking. HR
BNB2018/60 en HR 2020/117 laten volgens de Staatssecretaris in ‘extreme’ gevallen ruimte voor ‘materiële’ in plaats van civielrechtelijke toetsing aan de drie criteria voor een deelnemerschapslening. Belanghebbendes geval is zo’n extreem geval, aldus het middel, waarin aan de slechts papieren looptijd van tien jaar voorbijgegaan moet worden. Gegeven verder de achterstelling van de SHL bij alle andere crediteuren en de (feitelijke) winstafhankelijkheid van de rente, gaat het dan om een deelnemerschapslening, althans dat had het Hof verder moeten onderzoeken.
target. Het Hof heeft als volgt overwogen:
BNB2006/82. Dat is geen onbegrijpelijke uitleg van de contracten of van de bedoelingen van de partijen. ’s Hofs oordeel is evenmin onvoldoende gemotiveerd. De (maximale) looptijd van tien jaar kan samenhangen met de beoogde levensduur van de betrokken [A] -(sub)fondsen (tien jaar). Dat het de investeerders of [A] of [G] vermoedelijk niet uitmaakte of zij hun
returnzouden ontvangen als vergoeding voor kapitaal of als aflossing van schuldig gebleven rente, lijkt mij, zoals al bleek, voor de beoordeling van de realiteit van de overeengekomen looptijd niet relevant. Als voltooiing van een looptijd van tien jaren volstrekt onwaarschijnlijk is, zoals de fiscus betoogt, dan is het gezamenlijke oogmerk van de partijen kennelijk om eerder af te lossen, dus om de geldverstrekking juist niet onbepaald, althans langer dan 50 jaar te laten doorlopen. De fiscus betoogt niet dat (i) aflossing op de SHL bij faillissement van de belanghebbende niet vóórgaat op aandeelhoudersrechten, noch dat (ii) de looptijd onbepaald is in de zin dat er in feite geen bepaalbare aflossingsdatum is (maar integendeel juist dat na ongeveer vijf jaar betaald zal worden, zodat de einddatum kennelijk juist op een termijn van veel korter dan 50 jaar bepaalbaar is). Dat de gecumuleerde rente vermoedelijk of vrijwel zeker pas na wederverkoop van de
targetbetaald kan worden omdat daarvoor vermogenswinst nodig is, acht ik niet van belang. Uit welke bron een debiteur binnen de overeengekomen looptijd aflost, lijkt mij aan haar. Dat geen redelijk denkende ondernemer belanghebbendes debiteurspositie zou willen innemen, doet slechts in zoverre ter zake dat daaruit blijkt dat de lening onzakelijk is, maar dat stond al vast.
BNB2018/60 nog wel ruimte om in extreme casusposities, zoals belanghebbendes geval, zelfstandige (fiscale) betekenis te ontzeggen aan bedingen over rentevergoeding en looptijd die geen feitelijke betekenis (zullen) hebben.
BNB2006/82 [55] betrof een
prêt participatifmet een vaste looptijd van 95 jaar. U achtte die looptijd zodanig lang is – meer dan 50 jaar – dat er geen zelfstandige (fiscale) betekenis aan kon worden toegekend:
BNB1998/208:
BNB2018/60 bestaan zijns inziens (dus) uitzonderingen, zoals in een ‘extreem’ geval waarin de rente 13% per jaar beloopt maar niet betaald kan worden maar rentedragend wordt bijgeboekt, waardoor bij een daadwerkelijke 40-jarige looptijd een ondraaglijke rentelast zou ontstaan, terwijl duidelijk is dat de looptijd gelijk zal zijn aan de nog onbepaalde duur van de investering en de
yieldin wezen gelijk zal zijn aan die op het ledenkapitaal en pas betaald zal (kunnen) worden na wederverkoop van de
target. In zulke gevallen hebben volgens hem de civielrechtelijk overeengekomen rentevergoeding en looptijd geen zelfstandige betekenis.
BNB2018/60 lijkt mij echter juist gebaseerd op de wens rechtszekerheid te bieden door de civielrechtelijke vorm te volgen, zodat uitzonderingen en nuanceringen op basis van een vaag criterium als ‘extreem’ niet voor de hand liggen. Bovendien werkt materiële beoordeling mijns inziens niet in het voordeel van de Staatsecretaris: als materieel uitgegaan wordt van de kennelijke investeringshorizon (10, maximaal 13 jaar) in plaats van de overeengekomen leningslooptijd (40 jaar), leidt samengestelde rentebijboeking niet meer tot een ondraaglijke rentelast. Feitelijk is zo’n last ook niet ontstaan, maar is vermogenswinst gemaakt. Een ‘materiële’ beoordeling lijkt, gegeven het expliciete rechtszekerheidsdoel, alleen aangewezen in hetgeen u in HR
BNB2018/60 aanduidde als gevallen waarin aan bedingen in de leningsovereenkomst geen zelfstandige betekenis toekomt, waarmee u mijns inziens het oog had op criteria-ontduiking (zoals bij een ‘vaste’ looptijd van 95 jaar) en op - ook in civielrechtelijke zin - schijnhandelingen.
convertibles-overeenkomst zelfstandige betekenis moet worden ontzegd, lijkt mij vervolgens een vooral feitelijke vraag van contractuitleg waarover u niet gaat en die het Hof mijns inziens niet-onbegrijpelijk ontkennend heeft beantwoord.”
De rente op een onzakelijke lening (principale middelen (iii) en (iv) en incidenteel middel 1)
incidenteel middel 1dat het Hof de SHL niet mocht beschouwen als één onzakelijke lening met één debiteurenrisico omdat elk van de acht tranches separaat gecedeerd kan worden en elke volgende tranche achtergesteld is bij de vorige en dus een andere risico heeft. Niet alle tranches zijn onzakelijk, aldus de belanghebbende.
BNB2008/191; PJW] is verschenen wel is aangenomen, moet voor de lening als geheel worden beoordeeld of sprake is van een onzakelijke lening. Uitgangspunt voor de fiscale winstberekening vormt hetgeen partijen zijn overeengekomen en bij één overeenkomst is sprake van één debiteurenrisico. Zoals een borgstelling voor een lening die door een derde aan een gelieerde vennootschap is verstrekt in zijn geheel al dan niet in de kapitaalsfeer ligt, heeft hetzelfde te gelden voor het debiteurenrisico van een onzakelijke lening.”
callopgenomen. Ook als die tranches tijdvolgordelijk bij elkaar achtergesteld zijn – hoe dat moet bij vijf
simultaanopgenomen tranches is mij overigens niet duidelijk – moet aangenomen worden dat een zakelijk handelende crediteur uitgaat van het debiteurenrisico op het geheel (het maximum), tenzij uit de overeenkomst expliciet anders zou blijken, hetgeen niet het geval is. Uiteenlopende debiteurenrisico’s per tranche lijkt ook onverenigbaar met één contractuele rentevoet. Het Hof heeft het civielrechtelijk overeengekomene als uitgangspunt genomen en de bewijslast dat het anders is dan overeengekomen, op de belanghebbende gelegd. Dat lijkt mij correct. Verder gaat het om uitleg van de SHL-overeenkomst en om een beoordeling van feiten die mijns inziens geenszins onbegrijpelijk of slecht onderbouwd is, integendeel: u zie ‘s Hofs r.o. 4.4.4.1 - 4.4.4.3, waaruit onder meer blijkt dat en waarom het Hof tussen de tranches geen verschil ziet dat afwijkt van het verschil tussen volgtijdelijk af te lossen termijnen van één lening (welke termijnen eveneens separaat gecedeerd kunnen worden, net zoals trouwens ook elke rentetermijn, zelfs bij voorbaat, zo merk ik op), waarbij evenmin per termijn separate risico’s en rentepercentages worden onderscheiden als die niet expliciet zijn overeengekomen.
principaal middel (iii)leidt uw eenzijdige, nl. crediteursperspectief op onzakelijke leningen in strijd met paragraaf 1.65 van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen 2010 tot aftrek van een (borgstellingsanaloge) rente op de lening, hoewel bij een in derdenverhoudingen onbestaanbare lening geen rente aftrekbaar zou moeten zijn, mede om internationale
mismatcheste voorkomen:
BNB2012/37):
junk bondanalogie te behandelen. Dat u in HR
BNB2012/37 toch uitgaat van een borgstellingsanaloge rente, lijkt gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel en op de vrees dat fiscale constructeurs anders gelegenheid krijgen tot fiscaal construeren. U overwoog:
mismatches(zie 6.10). Nul rente zou misschien op grond van andere overwegingen beter of logischer of praktischer zijn geweest, maar u heeft nu eenmaal op de door u genoemde gronden anders geoordeeld. De belanghebbende stelt terecht dat u daarbij het armslengtebeginsel in aanmerking heeft genomen, gegeven dat u het expliciet noemt in r.o 3.3.2. Dat beginsel is in casu geen nieuw inzicht is dat u zou kunnen nopen terug te komen van uw borgstellingsanalogie. [59]
BNB2012/37; PJW], ging het om de vraag of in binnenlandse verhoudingen een gelieerde geldlening afgewaardeerd kon worden. De Hoge Raad heeft hierbij aangegeven dat, als bij een geldlening tussen gelieerde partijen de rente niet in overeenstemming met het arm's lengthbeginsel is vastgesteld, voor de fiscale winstberekening moet worden uitgegaan van een rente die wel aan dit beginsel voldoet. Voor de bepaling van die rente dient hetgeen hiervoor in deze paragraaf is beschreven als uitgangspunt te worden genomen.
mismatchesdie, zo begrijp ik zijn cassatieberoepschrift, juist voorkomen zouden moeten worden. Die asymmetrische benadering lijkt mij ook op gespannen voet te staan met de evenwichtsgedachte die mede achter het Zweeds-grootmoederarrest zit. In HR
BNB1986/295 [62] legde u uit dat de rente-imputatie bij de Nederlandse concerndebiteur in het Zweedse-grootmoederarrest gebaseerd was op een spiegelbeeldassumptie:
BNB1978/252* [Zweedse grootmoeder; PJW], betreffende de heffing van de vennootschapsbelasting van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid - de belanghebbende in dat geding - en haar dochtermaatschappij - waarmede zij een fiscale eenheid vormde - geoordeeld dat het Hof terecht niet tot de winst heeft gerekend het aan de dochtermaatschappij opgekomen voordeel, bestaande uit het niet verschuldigd worden van rente over een lening haar verstrekt door de [Zweedse; PJW] moedermaatschappij van de belanghebbende - welk voordeel blijkens hetgeen het Hof had vastgesteld zijn oorzaak niet vond in de bedrijfsuitoefening van de dochtermaatschappij doch uitsluitend in de vennootschappelijke betrekkingen tussen de drie bedoelde vennootschappen - aangezien ingevolge artikel 7 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 tot de winst alleen worden gerekend de voordelen welke worden verkregen uit onderneming.
mismatchesdrijvende infokap-
rulingpraktijk gebaseerd geweest, maar de politieke winden waaien inmiddels uit een andere hoek. Wat daarvan zij, zoals al in 5.8 opgemerkt, lijkt mij uw onzakelijke-leningrechtspraak niet in strijd met OESO-TP-inzichten, nu beide er toe strekken onzakelijke gelieerdheidseffecten uit de fiscale winst te verwijderen. Dat andere landen dat mogelijk anders doen, impliceert niet dat die andere landen de OESO
arm’s lengthinzichten beter toepassen dan Nederland, dat zich niet aan interpretaties van andere Staten hoeft aan te passen. Ook als uw benadering wél op gespannen voet zou staan met OESO-consensus, gaat de OESO
soft lawniet voor op Nederlands recht. Het staat de wetgever vrij om tot voorkoming van ongewenste
mismatcheseen
linking rulein te voeren die eenzijdig de zakelijkheidscorrectie aan de andere kant van de grens volgt. [63] Het staat de Executieve vrij om in verhouding tot belastingverdragslanden de in art. 9 OESO Pro-Model bedoelde
corresponding adjustmenttoe te passen of van de andere Staat te verlangen.
BNB2013/149 ertoe noopt om de verzakelijkte renteschuld ad 2,5% die het Hof heeft bepaald, op dezelfde waarde te stellen als de waarde in het economische verkeer van de correponderende rentevordering bij de crediteur en dat die waarde nihil is omdat de belanghebbende de rente nooit zou (kunnen) betalen.
BNB2012/37; PJW]). Van een zodanig debiteurenrisico is echter pas sprake nadat de rentetermijn verschuldigd is geworden. Op dat moment ontstaat een rentevordering. Omdat het debiteurenrisico op deze vordering daarna overgaat naar de onbelaste sfeer, zal, teneinde een juiste vaststelling van de totaalwinst te verkrijgen, de vervallen rente moeten worden gewaardeerd op de waarde die op dat moment aan die vordering in het economische verkeer kan worden toegekend. Voor dat bedrag - en niet voor een eventueel hoger nominaal bedrag - zal de rente bij de winstberekening in aanmerking moeten worden genomen.
junk bondanalogie! [65] ), en (iv) dat die afwaardering wegens onzakelijkheid uit de fiscale winst moet worden geëlimineerd en dus niet aftrekbaar is, om ‘een juiste vaststelling van de totaalwinst te verkrijgen’. Eventuele latere verdere afwaardering van de onzakelijke rentevordering is dus wél aftrekbaar, anders dan enige afwaardering op de hoofdsom, waarvoor de
junk bondanalogie niet geldt.
BNB2013/149 niet kan worden toegepast bij de debiteur van een onzakelijke lening:
BNB1996/389. Dat is echter pas relevant voor de debiteur indien de crediteur daartoe het initiatief neemt of anderszins objectief kan worden aangenomen dat de crediteur zijn aanspraak op rente heeft laten varen.”
BNB2012/37) niet alleen geldt voor de crediteur maar ook voor de debiteur. De Hoge Raad geeft hier in vrij objectieve termen een ‘bij de winstberekening’ in aanmerking te nemen waarderings-voorschrift, gericht op ‘een juiste vaststelling van de totaalwinst’. Mij lijkt dat deze termen ook de winstberekening en de totaalwinst van de debiteur regarderen, van wier solvabiliteit de waarde in het economische verkeer van de vervallen rente bovendien (vrijwel) uitsluitend afhankelijk is.”
BNB2013/149 ook op de debiteur is mijns inziens dus nihil, zodat de discussie mijns inziens geen inzet heeft.
BNB2013/149 per definitie alleen over de totale winst van de crediteur gaat en niet over de totale winst van de debiteur, die immers geen onzakelijk debiteurenrisico kán lopen: zij
ishet debiteurenrisico.
ongelieerde en dus zakelijke onvolwaardige leningen gaan, in casu niet relevant zijn. Ik merk op dat de Staatssecretaris zich er overigens kennelijk wel op beroept, nu hij betoogt dat ‘vast staat of zo goed als zeker is’ dat de belanghebbende haar 2,5%-renteschuld niet zou (kunnen) betalen. Volledigheidshalve wijs ik erop dat die arresten de Staatssecretaris niet steunen, nu
Fokker IIzegt dat een insolvente debiteur pas winst maakt als ‘vaststaat of zo goed als zeker is dat [zij] bepaalde ondernemingsschulden niet of niet volledig
behoeftte voldoen.’ Niet-
behoevenis in belanghebbendes geval niet aan de orde. Overigens mist de stelling van de Staatssecretaris feitelijke grondslag: uit de door het Hof vastgestelde feiten volgt niet dat de belanghebbende op renteverval/bijschrijfdatum in het litigieuze boekjaar geen 2,5% rente kon betalen.
Tegenbewijs van zakelijkheid (principaal middel (v) en incidentele middelen 2 en 3)
fraus legis, 2,5% rente in aanmerking kan worden genomen. De thans te behandelen drie middelen betreffen ‘s Hofs bewijsoordelen over hetgeen de belanghebbende heeft aangevoerd om niet-fiscale motieven voor de SHL aannemelijk te maken. Niet in geschil is dat de SHL besmet is voor zover gebruikt (64,5%) voor de overname van de [F] Group (art. 10a(1)(c) Wet Vpb 1969) en dat die overname zelf zakelijk is.
BNB2015/165, r.o. 3.1.1, laatste volzin). In dit opzicht verschilt de bewijspositie van belanghebbende met die (…) in het kader van de stelling van de inspecteur dat zij in fraudem legis heeft gehandeld.”
BNB2017/156 [69] , r.o. 2.4.5.3) of (ii) bewijs dat het voor de lening gebruikte eigen vermogen niet onzakelijk is omgeleid langs een feitelijke of synthetische
tax haven(HR
BNB2015/165 (Mauritius) [70] , r.o. 3.1.3). Incidenteel middel 2 betreft schuldparallellie; principaal middel (v) en incidenteel middel 3 betreffen de vraag naar een onzakelijke omleiding
BNB2019/98 [72] volgt dat de feitenrechter bij de schuldparallellie-beoordeling een grote cassatievrije ruimte heeft. [73] Ik meen dat ’s Hofs bewijsoordeel dat voldoende parallellie ontbreekt, ruim binnen die beoordelingsruimte valt. Weliswaar acht ik, anders dan het Hof (r.o. 4.9.4.3), voor schuldparallellie op zichzelf niet fataal dat de PECs fiscaal hybride zijn en de SHL niet, als de voor de SHL gebruikte middelen uiteindelijk maar traceerbaar van derden afkomstig zijn. [74] Maar mijns inziens heeft het Hof zijn oordeel al voldoende en begrijpelijk gemotiveerd met zijn constateringen dat (i) de rentevergoeding op de SHL verschilt van die op de PECs, weliswaar ten opzichte van de B-PECs zeer weinig, maar door de oprenting wel steeds meer, en ten opzichte van de A-PECs met ruim 2%-punt en (ii) de looptijden en aflossingsschema’s van de SHL en de PECs niet parallel lopen. Maar ook als het Hof hier te streng zou zijn, zoals de belanghebbende betoogt, blijft staan dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de PECs door ongelieerde derden zijn gefinancierd, nu zij volgens het Hof ‘in nevelen heeft gehuld’ wie er precies achter de PECs zit, zodat geen
paper trailnaar derden leidt (r.o. 4.9.4.7), welk bewijsrisico terecht bij de belanghebbende is gelegd. Het niet-betrekken van de A-PECs in de parallelliebeoordeling, zoals de belanghebbende wil, zou de belanghebbende dus evenmin baten. Haar opvatting dat het Hof maar ongedocumenteerd van haar moet aannemen dat [A] ’s Kaaimaneilandse entiteiten Fund [C] en [D] Fund geen rechtsvorm hebben of zijn, en slechts benamingen van 'zakken geld' zouden zijn, lijkt mij in strijd met de wettelijke bewijslastverdeling, die de bewijslast van schuldparallellie op de belanghebbende legt.
engbegrip ‘onzakelijke omleiding’ is uitgegaan en de belanghebbende omdat het Hof juist van een te
ruimbegrip ‘onzakelijke omleiding’ is uitgegaan. Volgens de Staatssecretaris moet het onzakelijke-omwegvermoeden net zo gelden voor het overnamesomdeel afkomstig van de co-investeerders, zodat niets aftrekbaar is. Hij bestrijdt dat de Inspecteur niet zou hebben gesteld dat en waarom ook de PECs geplaatst bij andere investeerders dan de [A] -fondsen een onzakelijke omweg maken. De belanghebbende meent dat geleiding langs anderen dan ‘verbonden lichamen’ ex art. 10a(4) Wet Vpb geen onzakelijke omweg kan zijn.
BNB2015/165 (
Mauritius):
BNB2015/165 dient bij de toepassing van de tegenbewijsbepaling van artikel 10a van de Wet een onderscheid te worden gemaakt tussen het begrip ‘verbonden lichamen’ en ‘concern’ of ‘groep’. Het begrip ‘verbonden lichamen’ heeft een functie bij het aanduiden van de (als debiteur en crediteur) bij een besmette lening betrokken lichamen. Het Hof wijst in dit verband op het arrest
BNB2015/165 [
Mauritius; zie 7.12 hieronder; PJW], r.o. 3.1.1, eerste volzin, en r.o. 3.2.2, voorlaatste volzin. Het (ruimere) begrip ‘concern’ of ‘groep’ heeft een functie bij het aanduiden van de bij het aangaan van de besmette lening mede betrokken lichamen. Het Hof wijst in dit verband op het arrest
BNB2015/165, r.o. 3.1.1, voor-voorlaatste volzin, in samenhang met r.o. 3.1.3, voorlaatste volzin, en r.o. 3.2.2, voorlaatste volzin. Het in deze overwegingen gemaakte terminologische onderscheid duidt erop dat bij de vraag of er geen (onzakelijke) omleiding is, niet kan worden volstaan met een aannemelijk maken dat er zakelijke beweegredenen zijn op het niveau van de - in de zin van artikel 10a, vierde lid, van de Wet - verbonden vennootschappen. Bij dat aannemelijk maken moet worden nagegaan wat de herkomst is van de door middel van een besmette lening tussen verbonden lichamen ter beschikking gestelde middelen. De kring van bij de besmette lening betrokkenen dient dan niet te worden beperkt tot ‘verbonden lichamen’ in de zin van artikel 10a, vierde lid, van de Wet, maar dient ook de buiten die ‘verbonden lichamen’ daarmee overigens gelieerde lichamen te omvatten (vgl. Hof Amsterdam 18 april 2019, nr. 18/00018 en 18/00019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1504, r.o. 4.22.9, en de conclusie van de advocaat-generaal, ECLI:NL:PHR:2020:102, pt. 5.22-5.44). In een geval als het onderhavige betekent dit dat ook moet worden bezien wat de aard is van het vermogen van het [A] -lichaam waaraan derden investeerders, zoals LACERS, financiële middelen ter beschikking hebben gesteld.
BNB2015/165, r.o. 3.1.2, laatste volzin).”
Mauritius-arrest HR
BNB2015/165. [75] U overwoog in die zaak onder meer:
BNB2014/79). Voor zover artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, in samenhang gelezen met artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet door het niet in aftrek toelaten van verschuldigde rente een inbreuk vormt op deze systematiek moeten deze bepalingen, mede gelet op de wetsgeschiedenis en de daarin gebruikte voorbeelden, beperkt worden uitgelegd. Tegen die achtergrond moet de passage uit de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer van de wet “Werken aan winst” (opgenomen in onderdeel 4.21 van de conclusie van de Advocaat-Generaal) zo worden begrepen dat in beginsel sprake is van een geldlening waaraan in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen als geen sprake is van een omleiding van de voor de acquisitie aangewende middelen. Bij een rechtstreekse financiering ligt het in de keuzevrijheid van de belastingplichtige besloten dat de wetgever mogelijke fiscale overwegingen die aan de gekozen financiering ten grondslag liggen, als passend binnen die vrijheid, heeft aanvaard. Daarbij verdient opmerking dat van het ontbreken van zakelijke overwegingen niet slechts sprake kan zijn als de desbetreffende middelen binnen het concern eerst zijn onttrokken aan het eigen vermogen van het Nederlandse deel van het concern. Een zo beperkte uitleg van artikel 10a van de Wet vindt geen steun in de totstandkomingsgeschiedenis ervan.
BNB2016/197 [76] (Italiaanse Telecom) overwoog u dat een concern in beginsel financieringsvrijheid geniet, maar dat art. 10a Wet Vpb die beperkt:
BNB2014/79).
BNB2015/165). In die zin maakt artikel 10a van de Wet door het niet in aftrek toelaten van verschuldigde rente een inbreuk op de vrijheid van belastingplichtigen bij het inrichten van hun financieringsstructuur.
BNB2016/197 dat hybride elementen in een financieringsstructuur op zichzelf nog geen ‘omleiding’ zijn zoals door u bedoeld in
Mauritius:
BNB2005/169; PJW], gewezen voor de toepassing van fraus legis, werd een schuld ter financiering van een externe acquisitie als zakelijk aangemerkt. Dat betekent niet dat voor de toepassing van artikel 10a, derde lid, onderdeel a, elke financiering van een zakelijke externe acquisitie per definitie ook zakelijk is. Een sprekend voorbeeld van een onzakelijke financiering doet zich voor in de volgende situatie. Een buitenlands concern besluit een nieuwe participatie onder een Nederlandse tussenhoudster te hangen, welke over voldoende middelen beschikt om die acquisitie te financieren. In plaats van deze middelen rechtstreeks aan te wenden, keert de tussenhoudster deze in de vorm van dividend uit aan de buitenlandse tophoudster, welke de verkregen middelen aanwendt als storting van kapitaal in een groepsmaatschappij gevestigd in een taxhaven. Deze financiert daarmee een lening aan de Nederlandse tussenhoudster, welke daarmee de externe acquisitie financiert. Zou er geen fiscaliteit zijn, dan zouden de in Nederland beschikbare middelen rechtstreeks zijn aangewend en zou niet de omweg via een taxhaven zijn gekozen.”
tax havensomgeleid worden, maar ook langs ‘synthetische’
tax havens, zoals mijns inziens in die aanhangige zaak 19/02596: de nauw met het orkestrerende Franse
private equityfonds en met elkaar verweven Franse hybride FCPR’s in die zaak, waarlangs het eigen vermogen voor de overname van de Nederlandse
targetwerd geleid, fungeerden mijns inziens feitelijk als gesynthetiseerde
tax haven.
BNB2015/165 (
Mauritius) op dat bij de beoordeling of zich een onzakelijke omleiding voordoet, de redenen voor het aangaan van de SHL van alle daarbij betrokkenen van belang zijn en dat eigen vermogen niet alleen langs ‘verbonden lichamen’ in de zin van art. 10a(4) Wet Vpb onzakelijk omgeleid kan worden naar vreemd vermogen, maar ook langs andere betrokkenen onzakelijke omwegen kan maken. Met het Hof meen ik dat het bij ‘verbonden lichaam’ in art. 10a Wet Vpb gaat om de debiteur en de crediteur van de besmette lening en dat het bij ‘betrokkenen’ en ‘concern’ in uw rechtspraak om een wijder gezelschap van gelieerden kan gaan, zoals in casu het [A] -fondsenconglomeraat.
general partnershadden, en (iv) de notificatie bij de Europese Commissie vermeldde dat de in Luxemburg gevestigde [H] de volledige zeggenschap verkreeg over de [F] groep, kon het Hof mijns inziens het vermoeden opvatten dat de PECs aan [G] zijn verstrekt door de [A] -groep via de Kaaimaneilanden, uit
equitydie in eerste instantie door de beleggers in [B] LP was ingebracht en dat die
equityom antifiscale redenen dubbel hybride is omgeleid langs de Kaaimaneilanden, Jersey en Luxemburg. De belanghebbende, op wie de bewijslast rustte van zakelijkheid van de opmerkelijk onoverzichtelijke overnamefinancieringsstructuur (zie onderdeel 2.12 hierboven), heeft dat vermoeden volgens het Hof niet ontzenuwd en dat bewijsoordeel is mijns inziens geenszins onbegrijpelijk, mede gezien haar kennelijke neveligheid ter zake van de configuraties op de Kaaimaneilanden achter de PECs, voor haar bewijsrisico blijft.
incidentele middelen 2 en 3stranden daarom mijns inziens.
Mauritius-arrest, betoogt de Staatssecretaris mijns in
principaal middel (v)subsidiair terecht dat ook als de Inspecteur niet gesteld heeft dat ook de middelen afkomstig van de andere investeerders dan de [A] -fondsen onzakelijk zijn omgeleid, art. 10a(3) Wet Vpb op de belanghebbende de last legt te bewijzen dat voor alle betrokkenen bij de SHL zakelijke redenen bestonden voor het aangaan ervan, zodat het Hof op dit punt de bewijslast onjuist heeft verdeeld. De Inspecteur hoeft immers geen onzakelijke omleiding te stellen: als aan de voorwaarden van art. 10a is voldaan (besmetting van rechtshandeling en lening; dat moet de Inspecteur wel stellen, maar dat heeft hij gedaan en is niet meer in geschil), is de rente niet aftrekbaar, tenzij de belastingplichtige aan de tegenbewijsopdracht in lid 3 voldoet.
8.Fraus legis (principaal middel (vi))
fraus legisals volgt overwogen:
fraus legis, ofwel dat beroep ten onrechte heeft opgevat als slechts een beroep op
fraus 10ain plaats van een beroep op
fraus Wet Vpb.
fraus legisgeen voorwerp meer. Als die rente na verwijzing alsnog wél aftrekbaar blijkt omdat tegenbewijs van zakelijke motieven wordt geleverd, is toepassing alsnog van
fraus legisuitgesloten omdat alsdan niet aan het subjectieve vereiste daarvoor voldaan kan worden.
fraus legis-betoog aangevoerd, ook al heeft hij het zelf over een aanvullend voorwaardelijk incidenteel beroep bij verweer op belanghebbendes incicentele beroep.
9.De EU-vestigingsvrijheid (incidenteel middel 4)
mismatchzou kunnen ontstaan. Dit is opmerkelijk omdat de belanghebbende juist een internationale
mismatchwenst. Zij wil dus kennelijk van drie wallen eten: (i) zij
wenstenerzijds een internationale
mismatch, nl. een
deduction/no inclusion, maar (ii) stelt met een vergezocht beroep op EU-recht een volstrekt hypothetische potentieel voor haar nadelige
mismatch(de belanghebbende heeft er immers juist voor gezorgd dat de rente
nietbelast is bij de ontvangers, zodat aftrekweigering in het bronland juist geheel strookt met de
linkingen antimisbruikregels van het EU-recht), en wil ten slotte (iii) uitsluitend de
cherryuit het volgens haar vergelijkbare binnenlandgeval
pickenom een ook volgens EU-recht juist zeer ongewenste
deduction/no inclusionbinnen te halen die per definitie helemaal niet beschikbaar is in het door haar opgevoerde binnenlandgeval van fiscale voeging.
10.Conclusie
shareholder loanbetrokken andere investeerders dan de [A] -fondsen, waarbij de bewijslast bij de belanghebbende ligt, tenzij u verwijst wegens doel treffen van principaal middel (vi) in plaats van principaal middel (v), in welk geval de bewijslast van overwegend antificale motieven van die andere investeerders voor de wijze van financieren bij de Inspecteur ligt.