ECLI:NL:PHR:2013:BX5566
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van art. 591a Sv op vergoeding kosten raadsman bij sepot en art. 12 Sv-procedures
Deze cassatie in het belang der wet betreft de uitleg van art. 591a Sv omtrent de vergoeding van kosten van rechtsbijstand aan verdachten in verschillende fasen van het strafproces. Het gaat om de vraag of vergoeding mogelijk is bij een sepot, bij een beklagprocedure ex art. 12 Sv Pro die wordt afgewezen of niet-ontvankelijk wordt verklaard, en bij een gegrond verklaard beklag met bevel tot vervolging, maar eindigend zonder strafoplegging.
De zaak spitst zich toe op een beschikking van het Hof 's-Hertogenbosch van 3 augustus 2009, waarbij het hof een vergoeding toekende voor kosten van rechtsbijstand in een art. 12 Sv Pro-procedure, ondanks dat de vervolging uiteindelijk zonder strafoplegging eindigde. De Procureur-Generaal betoogt dat de vergoeding in sommige situaties niet toekomt, met name bij afwijzing of niet-ontvankelijkheid van het beklag, omdat de procedure dan niet van overheidswege wordt gevoerd.
De Hoge Raad wordt gevraagd duidelijkheid te verschaffen over de reikwijdte van art. 591a Sv, met name of een sepot het einde van de zaak betekent en of kosten van rechtsbijstand in art. 12 Sv Pro-procedures voor vergoeding in aanmerking komen. De conclusie is dat vergoeding mogelijk is bij sepot en bij gegrond verklaard beklag met vervolging zonder strafoplegging, maar niet bij afwijzing of niet-ontvankelijkheid van het beklag.
De uitspraak zal bijdragen aan uniformering van de rechtspraak over de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de opsporings- en vervolgingsfase en de bijzondere beklagprocedure, waarbij ook internationale vergelijkingen worden betrokken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het hof voor zover het vergoeding toekende bij afwijzing of niet-ontvankelijkheid van het beklag ex art. 12 Sv.