ECLI:NL:PHR:2013:BY9005
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat videobewakingsbeelden onder voorwerpen in art. 189 Sr vallen en verworpen exceptie begunstiging
De zaak betreft een eigenaar van een discotheek die camerabeelden van een incident waarbij zijn portiers betrokken waren, heeft gewist. Het hof had hem veroordeeld voor begunstiging op grond van art. 189, eerste lid onder 3, Sr, omdat hij opzettelijk voorwerpen die de waarheid kunnen aan het licht brengen heeft verborgen en aan het onderzoek van justitie heeft onttrokken.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat filmbeelden niet als voorwerpen in de zin van art. 189 Sr Pro kunnen worden beschouwd en dat hij een beroep kon doen op de exceptie van art. 189, derde lid, Sr omdat hij de beelden had verwijderd om imagoschade te voorkomen, wat volgens hem ook het voorkomen van een strafrechtelijke procedure tegen hem omvatte.
De Hoge Raad verwierp deze middelen. Ten aanzien van de eerste klacht bevestigde de Hoge Raad dat onder het begrip 'voorwerpen' ook filmbeelden van een videobewakingssysteem vallen, mede gelet op de ruime uitleg van het begrip in de wetsgeschiedenis en de moderne technische mogelijkheden. Ten aanzien van de exceptie van art. 189 lid 3 Sr Pro oordeelde de Hoge Raad dat deze alleen geldt indien het verwijderen van bewijs is gedaan met het oogmerk vervolging te ontgaan, en niet wanneer dit uitsluitend is gedaan om imagoschade te voorkomen. Het hof had dit laatste oordeel voldoende gemotiveerd en het beroep van de verdachte op de exceptie terecht verworpen.
Ten slotte werd erkend dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, maar dit leidde niet tot cassatie omdat de overschrijding niet zodanig was dat het oordeel van de Hoge Raad daardoor werd beïnvloed. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het wissen van videobewakingsbeelden begunstiging oplevert en dat de exceptie van art. 189 lid 3 Sr niet van toepassing is.