ECLI:NL:HR:2013:BY9005
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- N. Jörg
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid wissen videobeelden ondanks beroep op exceptie artikel 189 lid 3 Sr
De zaak betreft een verdachte die op 27 december 2009 videobeelden van een poging tot zware mishandeling heeft gewist van een videobewakingssysteem in zijn discotheek. De tenlastelegging was gebaseerd op artikel 189 lid 1 sub Pro 3 Wetboek van Strafrecht, dat strafbaar stelt het opzettelijk verbergen of vernietigen van voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen, met het oogmerk inbeslagneming te beletten.
De verdachte voerde in hoger beroep aan dat videobeelden geen 'voorwerpen' in de zin van deze bepaling zijn en dat hij zich kon beroepen op de exceptie van lid 3, omdat hij de beelden had gewist om imagoschade aan zijn discotheek te voorkomen, niet om vervolging te ontlopen. Het hof verwierp deze verweren en verklaarde de tenlastelegging bewezen.
De Hoge Raad bevestigt dat videobeelden wel degelijk onder het begrip 'voorwerpen' vallen in artikel 189 lid 1 sub Pro 3 Sr, ook al wordt in andere bepalingen onderscheid gemaakt tussen afbeeldingen en gegevensdragers. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht het beroep op de exceptie van lid 3 heeft verworpen, omdat het hof aannemelijk achtte dat de verdachte handelde om imagoschade te voorkomen en niet om vervolging te ontlopen.
Verder erkent de Hoge Raad dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, maar ziet geen aanleiding om dit tot rechtsgevolgen te laten leiden gezien de opgelegde straf en de mate van overschrijding. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor het wissen van videobeelden.