Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Prokuratuur-jurisprudentie is gehandeld. De rechtbank vindt deze jurisprudentie echter niet van toepassing op deze zaak, omdat in deze zaak de Europese Richtlijn 2002/58 niet geldt. Wel is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie ten onrechte vooraf geen machtiging heeft gevraagd bij de rechter-commissaris. Voor de verdachte heeft dit verzuim echter geen concreet nadeel opgeleverd en zijn recht op een eerlijk proces is niet geschonden. Weliswaar is de privacy van duizenden andere gebruikers geschonden (met vérstrekkende gevolgen), maar dit kan in de zaak van de verdachte geen rol spelen. De rechtbank volstaat daarom met de enkele constatering van dit verzuim, zonder daar een rechtsgevolg aan te verbinden. Anders dan de verdediging ziet de rechtbank niet dat dit volgens de Europese jurisprudentie ontoelaatbaar zou zijn.
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Tenlastelegging
De tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.
3..Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 en 6 ten laste gelegde feiten;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van voorarrest.
4..Inleiding
5..Bespreking van de algemene verweren
De verdediging heeft op onderscheiden punten verweren gevoerd die tot de conclusie moeten leiden dat in diverse stadia van het strafrechtelijk onderzoek vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zijn begaan. Deze vormverzuimen zouden primair tot de slotsom moeten leiden dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, subsidiair dat algehele bewijsuitsluiting volgt, meer subsidiair dat onderzoeksresultaten afkomstig uit de middels een rechtshulpverzoek uit Canada verkregen data (hierna: de Ennetcomdata) worden uitgesloten van het bewijs en meest subsidiair dat er nihilstelling van de straf volgt, althans dat de eventueel op te leggen straf gelijk wordt gesteld aan de door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.
in zijn verdedigingis geschaad. Vaste rechtspraak is tevens dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet kan worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang dat een nadeel oplevert als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, Sv. [2] Indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, zal ‘als regel’ geen rechtsgevolg behoeven te worden verbonden aan het vormverzuim. Dit kan onder omstandigheden, zoals hierboven geschetst, anders zijn als er sprake is van een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging.
Start van het onderzoek
détournement de pouvoirovertreden.
dezeverdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, een en ander beschouwd tegen de achtergrond dat anderen voor dezelfde feiten niet vervolgd worden. Gesteld noch gebleken is dat die situatie zich hier heeft voorgedaan. Reeds om die reden faalt het verweer en wordt het verworpen.
détournement de pouvoirheeft geschonden. Daartoe is aangevoerd dat het onderzoek naar de BES-infrastructuur er uitsluitend op was gericht om de inhoud van de mail- en keyservers te bemachtigen teneinde inzage te verkrijgen in alle inhoudelijke communicatie op die servers, alsmede de berichten van reeds in andere onderzoeken in beslag genomen PGP-telefoons te kunnen ontsleutelen. Het rechtshulpverzoek aan Canada was aldus, evenals de digitale opsporingshandelingen die in Nederland zijn uitgevoerd, uitsluitend ingegeven door de wens om de data van gebruikers te verkrijgen ten behoeve van andere onderzoeken. Het Openbaar Ministerie heeft daarmee zijn strafrechtelijke bevoegdheden en het rechtshulpverzoek oneigenlijk ingezet. Door de onrechtmatige toepassing van die opsporingsmiddelen zijn miljoenen inhoudelijke berichten en andere persoonsgegevens van niet-verdachten verkregen. Dat levert een buitenproportionele schending van de grondrechten van vele onbekende derden op, heeft geresulteerd in de doodsteek voor het bedrijf van de verdachte en heeft ertoe geleid dat de communicatie van de verdachte in talloze andere opsporingsonderzoeken is terechtgekomen.
Prokuratuur-jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) volgt dat dit een onherstelbaar vormverzuim oplevert.
Prokuratuur-jurisprudentie niet van toepassing is, omdat artikel 1 lid 3 van Pro Richtlijn 2002/58 activiteiten van een lidstaat op strafrechtelijk gebied volledig van de werkingssfeer van deze Richtlijn uitsluit.
Prokuratuur-jurisprudentie. De rechtbank is echter van oordeel dat dit arrest en de daaraan voorafgaande jurisprudentie in deze zaak niet van toepassing is en legt dat hierna uit.
Prokuratuur-arrest behandelde zaak en de daaraan voorafgaande jurisprudentie gaat over de uitleg van artikel 15, namelijk over nationale wetgeving die telecomaanbieders verplicht gegevens te bewaren voor gebruik in strafrechtelijke onderzoeken.
Prokuratuuren in daaraan voorafgaande zaken is door regeringen van lidstaten aangevoerd dat het verkrijgen van toegang tot dergelijke verkeersgegevens door politie en justitie niet valt onder de beperkingsbevoegdheid van artikel 15, maar onder de ‘activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied’, die in artikel 1, lid 3, van de werkingssfeer van deze Richtlijn zijn uitgezonderd. Over de verhouding tussen deze twee artikelen heeft het HvJ EU zich het meest uitvoerig uitgelaten in het arrest
La Quadrature du Net e.a., [9] dat slechts enkele maanden voorafgaand aan het
Prokuratuur-arrest werd gewezen. Het HvJ EU licht in dat arrest toe dat met de ‘activiteiten van de staat op strafrechtelijk gebied’ wordt gedoeld op specifieke activiteiten van staten of overheidsdiensten die niets van doen hebben met de gebieden waarop particulieren activiteiten ontplooien. [10] Er moet dus volgens het HvJ EU onderscheid gemaakt worden naar gelang van de persoon die de gegevensverwerkingshandeling uitvoert. Dit leidt tot de conclusie dat wanneer lidstaten op strafrechtelijk gebied rechtstreeks maatregelen toepassen die inbreuk maken op het beginsel van de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie zonder dat zij verwerkingsverplichtingen opleggen aan aanbieders van elektronische-communicatiediensten, de bescherming van de gegevens van de betrokken personen niet wordt beheerst door Richtlijn 2002/58. [11] Dit betekent dus niet, zoals de officier van justitie heeft betoogd, dat álle activiteiten van de Staat op strafrechtelijk gebied van de werkingssfeer van Richtlijn 2002/58 zijn uitgesloten. In de gevallen waarin de aanbieders van elektronische-communicatiediensten door de lidstaten verplicht worden een gegevensverwerkingshandeling uit te voeren, worden strafrechtelijke opsporingsactiviteiten wel degelijk beheerst door deze Richtlijn.
Search Warrant and Assistance Order’ (hierna:
Assistance Order) [12] draagt de Canadese rechter [naam rechter] de Toronto Police Service op om de kopie van de server van [naam verdacht bedrijf 1] te maken en [naam persoon 1] om daartoe onder andere de locatie van de servers aan te wijzen en “administrative access” te verlenen. Dat is ook feitelijk gebeurd. [13] Dat is niet opmerkelijk, want het alternatief zou zijn geweest dat men alle servers (ook van andere huurders) had moeten kopiëren of in beslag had moeten nemen. [naam persoon 1] was volgens de
Assistance Ordereveneens verplicht om de servers los te koppelen van internet. Anders dan de verdediging stelt, blijkt uit het dossier niet dat [naam persoon 1] zelf gekopieerd heeft. Dat hoefde hij ook niet op grond van de
Assistance Order. Hoewel het verlenen van “administrative access” mogelijk moet worden opgevat als ‘toegang verlenen’ tot de gegevens en er daarmee sprake zou zijn van ‘verwerken’ in de zin van de Richtlijn 2002/58, dan betreft het verplichtingen die door de Canadese rechter aan [naam bedrijf 1] en/of [naam persoon 1] zijn opgelegd in de uitvoering van het Canadese nationale recht. Op grond van het Rechtshulpverdrag wordt in Canada een rechtshulpverzoek namelijk in overeenstemming met het recht van de aangezochte Staat uitgevoerd. [14] De
Assistance Orderberust op § 10 van de Canadese Mutual Legal Assistance Act jo. artikel 487.02 van de Criminal Code. Dat laatste artikel luidt: “
If […] a warrant is issued under this Act, the judge or justice who […] issues the warrant may order a person to provide assistance, if the person’s assistance may reasonably be considered to be required to give effect to the […] warrant.” Voor zover er al over ‘verwerkingsverplichtingen’ kan worden gesproken, zijn deze dus niet door de Nederlandse overheid (“de lidstaat”) aan [naam bedrijf 1] en/of [naam persoon 1] opgelegd. Het verkrijgen van de Ennetcomdata valt daarmee buiten de werkingssfeer van Richtlijn 2002/58. Dit doet uiteraard niet af aan de verplichting van de Nederlandse rechter om marginaal te toetsen of de uitvoering van het rechtshulpverzoek in Canada voldoet aan het recht op een eerlijk proces, maar het maakt niet dat het Unierecht van toepassing is.
Prokuratuur-jurisprudentie, die specifiek ziet op de uitleg van Richtlijn 2002/58, niet toepasbaar is in deze zaak.
het verdrag geen onderscheid [maakt] tussen openbare elektronische communicatiediensten en niet-openbare elektronische communicatiediensten en zich ook [richt] op aanbieders die gebruik maken van deze netwerken om hun diensten aan te bieden.’ [27] Bij inwerkingtreding van de Wet Computercriminaliteit III in maart 2019 werd artikel 126la (oud) Sv omgenummerd naar artikel 138g Sv en sindsdien verwijst artikel 126ng Sv naar de definitie in artikel 138g Sv. Artikel 125la Sv maakte geen deel uit van deze wetswijzigingen en is sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2006 niet meer aangepast.
vorderenvan de inhoudelijke berichten een ruimere bescherming toekomt dan bij het
vastleggenvan dezelfde gegevens. De officier van justitie heeft immers ter zitting gesteld dat, als de politie de Ennetcomdata niet zelf had gekopieerd maar gevorderd, artikel 126ng, tweede lid, Sv van toepassing was geweest. [31] Volgens de officier van justitie voldoet [naam verdacht bedrijf 1] namelijk wel aan de definitie ‘aanbieder van een communicatiedienst’ als bedoeld in artikel 126la (oud) Sv. [32] Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan niet zo zijn dat de gebruikers van [naam verdacht bedrijf 1] diezelfde bescherming niet toekomt nu de officier van justitie – overigens vanwege begrijpelijke redenen – gekozen heeft voor het zelf kopiëren van de dataservers. Dat is in strijd met de geest van de wetsbepaling en met de wetgeschiedenis. Dit geldt temeer nu de wetgever juist aandacht heeft gehad voor de gespannen verhouding tussen de vorderingsbevoegdheid en de bevoegdheid om tijdens een doorzoeking zelf gegevens vast te leggen. Bij een doorzoeking is in de wetssystematiek namelijk – anders dan bij de vorderingsbevoegdheden – geen onderscheid gemaakt naar categorieën gegevens (identificerende gegevens, andere dan identificerende gegevens en gevoelige gegevens). Daarom is door de wetgever opgemerkt dat de zwaardere bevoegdheid tot doorzoeking pas mag worden toegepast als andere bevoegdheden, zoals het vorderen van gegevens, niet effectief zijn. [33] Als er zwaardere voorwaarden gelden voor de vorderingsbevoegdheden dan voor de doorzoekingsbevoegdheid, dan zou het bewust passeren van deze voorwaarden door te kiezen voor een doorzoeking misbruik van bevoegdheid opleveren, zo stelt de wetgever. [34] Dit onderstreept de gedachte dat bij gebruikmaking van de doorzoekingsbevoegdheid van artikel 125i Sv geen lichtere voorwaarden of eisen mogen gelden dan bij de bevoegdheid tot vorderen van dezelfde gegevens.
Order to send evidence to the Kingdom of the Netherlands” van het Superior Court of Justice Toronto Region d.d. 19 september 2016 (hierna:
Sending Order) voorwaarden gesteld aan het gebruik van de Ennetcomdata in andere onderzoeken en niet in 26De Vink. Het belang dat het geschonden voorschrift dient, te weten rechterlijk toezicht op het verkrijgen van gevoelige gegevens, is groot, maar nakoming van het voorschrift zou in dit geval voor deze zaak geen andere uitkomst hebben gehad.
Schutznormgeheel zou hebben losgelaten, deelt de rechtbank niet. De Hoge Raad heeft inderdaad geoordeeld dat ook buiten de gevallen van artikel 359a Sv (dus buiten het voorbereidend onderzoek en/of buiten het onderzoek tegen deze verdachte) onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim. [39] In dat geval moet het betreffende vormverzuim echter van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte. Daarvan is in dit geval geen sprake; de schending van de privacyrechten van derden heeft geen invloed gehad op het opsporingsonderzoek tegen en de vervolging van de verdachte.
rule of lawdoor het Openbaar Ministerie.
Sending Orderafgegeven, waarin is bepaald dat alle in beslag genomen data konden worden overgedragen aan Nederland. Een en ander geschiedde onder de voorwaarde dat de Ennetcomdata uitsluitend mochten worden gebruikt in de onderzoeken 26Koper, 26Rooibos, 26Rendlia en 26DeVink. De Canadese rechter heeft voorts bepaald dat de Ennetcomdata onder aanvullende voorwaarden ook beschikbaar konden worden gesteld aan andere strafrechtelijke onderzoeken dan die in het rechtshulpverzoek waren genoemd, indien daarvoor tevoren een rechterlijke machtiging zou worden afgegeven.
Sending Ordervoorwaarden heeft gesteld aan het gebruik van de Ennetcomdata in andere opsporingsonderzoeken dan in 26DeVink. In onderhavige zaak zijn die voorwaarden niet gesteld. Dat betekent dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd buiten het beoordelingskader van deze zaak valt en niet tot de gevolgtrekking kan leiden dat in de onderhavige strafprocedure een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel is geschonden. Het verweer wordt verworpen.
wipe-verzoeken.
wipe-verzoeken (aangeduid met de letters ‘W’ of ‘WP’) gevonden zouden moeten kunnen worden.
wipe-verzoeken, gericht aan de helpdesk van [naam verdacht bedrijf 1] , die door het Openbaar Ministerie zijn aangedragen als belastend bewijsmateriaal. Ter zitting is door de officier van justitie gesteld dat in de onderwerpregel van berichten wél op minder dan drie tekens gezocht zou moeten kunnen worden. Dit is door de verdediging echter stellig betwist. Volgens de verdediging kon tijdens het bezoek aan het NFI niet op die wijze worden gezocht en werd dit bevestigd door de aanwezige medewerker van het NFI. De rechtbank stelt vast dat deze beperking de verdediging kennelijk heeft gehinderd in het zoeken naar de
wipe-verzoeken. Deze beperking gold echter evenzeer voor het Openbaar Ministerie, zodat er sprake is van gelijke proceskansen in dezen. Van een schending van artikel 6 EVRM Pro is dan ook geen sprake. Deze beperking in het zoeken naar
wipe-verzoeken kan wel een rol spelen bij de bruikbaarheid van het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijs, maar dat zal bij de inhoudelijke bespreking van de ten laste gelegde feiten aan de orde komen.
gebruikvan valse geschriften (artikel 225 lid 2 Sr Pro) gelijkgesteld aan het niet, onvolledig of onjuist doen van aangifte. De Hoge Raad heeft tot nu toe het standpunt van verschillende Advocaten-Generaal dat het vals opmaken (artikel 225 lid 1 Sr Pro) niet onder deze una via-regeling geschaard moet worden, met toepassing van het criterium bedoeld bij artikel 81 lid 1 RO Pro overgenomen. [74] Blijkens de wetsgeschiedenis is er namelijk bewust voor gekozen om het vals opmaken niet in de uitzonderingsbepaling van artikel 69 lid 4 AWR Pro op te nemen; de fiscale strafbepalingen stellen – voor zover in verband met valse of vervalste stukken van belang – immers niet het opmaken maar het gebruik jegens de fiscus strafbaar. [75] Kennelijk is het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest om vervolging wegens het vals opmaken van – in dit geval – een aangifteformulier te laten bestaan naast het vervolgen wegens niet, onjuist of onvolledig aangifte doen. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen schending van het una via-beginsel of het ne bis in idem-beginsel in de vervolging van [naam verdacht bedrijf 1] .
6..Bewijsoverwegingen en bespreking van de bewijsverweren
wipen(wissen) van een telefoon: de helpdesk was in staat om op verzoek van de gebruiker van een telefoon de inhoud van die telefoon op afstand te wissen. [96] Bij de bespreking van feit 1 zal de rechtbank hierna uitvoeriger stilstaan bij deze wipe-functie, omdat dit ten grondslag ligt aan het onderdeel van de tenlastelegging van dat feit dat ziet op artikel 189 Sr Pro. De rechtbank concludeert in alinea 224-225 dat het wipen klaarblijkelijk vooral gebeurde indien het gevaar bestond dat opsporingsinstanties achter de inhoud van een inbeslaggenomen PGP-telefoon zouden komen. In elk geval werd het wipe-verzoek zonder problemen uitgevoerd wanneer de gebruiker een probleem had met de politie. [97]
‘Kijk op het moment dat wij weten hoe het NFI er in slaagt om het te vinden, dan wordt het natuurlijk ook vele malen eenvoudiger voor jullie om die deur dan goed op slot te zetten.’ [101] Ook leggen zowel de verdachte als het NFO contact met verschillende strafrechtadvocaten die betrokken zijn bij strafrechtelijke onderzoeken waarin een PGP-BlackBerry is gekraakt. [102] [naam verdacht bedrijf 1] heeft op die manier processen-verbaal in handen gekregen waarmee klaarblijkelijk gepoogd werd te achterhalen hoe het NFI precies te werk gaat. Ook werd besproken dat men het NFO in die strafzaken door de rechtbank als contra-expert kan laten inschakelen, waardoor men de data ter beschikking zou krijgen en de NFI-onderzoekers hun vragen wel zouden moeten beantwoorden. [103] Kennelijk was de productontwikkeling van [naam verdacht bedrijf 1] er dus specifiek op gericht dat de PGP-telefoons ook in de toekomst niet zouden kunnen worden gekraakt door het NFI en de opsporingsinstanties.
Dit is de eerste keer dat ik hiervoor vast zit. Ik ga met mijn advocaat bespreken hoe ik kan voorkomen dat ik door mijn werkzaamheden in verband word gebracht met eventuele criminele activiteiten van mijn klanten.’ [108] Hij wist dus toen al dat de klanten van [naam verdacht bedrijf 1] zich met ‘eventuele criminele activiteiten’ bezig hielden. Ook was hij op de hoogte van het ‘wipen’. Sterker nog, de verdachte heeft in een e-mailbericht opgemerkt: ‘
Wipen doen we voor 1 ongeschreven regel. Dat is de enige reden.’ [109] Zoals hierna in alinea 225 verder uiteen wordt gezet, is de rechtbank van oordeel dat de bedoelde ‘enige reden’ kennelijk was het gevaar dat opsporingsinstanties achter de inhoud van een inbeslaggenomen PGP-telefoon zouden komen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [naam verdacht bedrijf 1] wist dat de omzet van misdrijf afkomstig was.
Sending Order.
Sending Ordergenoemde strafbare feiten. Bovendien steunt het bewijs voor de valsheid in geschrift in belangrijke mate op andere onderzoeksresultaten dan op de ingevolge de
Sending Orderverkregen documenten.
Sending Orderis namelijk de volgende voorwaarde opgenomen:
wipe-verzoeken bieden. De verdachte kende de inhoud van de
wipe-verzoeken niet.
wipe-dienst van belang: de helpdesk was in staat om op verzoek van de gebruiker van een telefoon de inhoud van die telefoon op afstand te wissen. [153]
wipe-verzoeken. Dit onderzoek heeft geleid tot een aantal bevindingen die hierna aan de orde komen.
wipe-verzoeken. De reseller krijgt daarin de instructie dergelijke verzoeken door te sturen naar een van de ‘service workers’ van de helpdesk van [naam verdacht bedrijf 1] met in de onderwerpregel ‘WP’. De inhoud van het bericht dient het te wissen e-mailaccount te vermelden; de reden van het verzoek mag echter niet vermeld worden. [155]
wipe-verzoek in de e-mail aan de helpdesk vermeldden, wat hun dan weer van tijd tot tijd op een reprimande zijdens de helpdesk kwam te staan. Uit die terechtwijzingen komt onder meer naar voren dat ‘wij dit [= de reden van het wissen] niet willen weten’. [156] Waaromde helpdesk die reden niet wenst te weten, blijft onuitgesproken, maar opvallend is dat wanneer de resellers zich niet aan de regel houden en wel de reden van het verzoek vermelden, dit er meestal op neerkomt dat de eigenaar van de telefoon door de politie is aangehouden en/of de telefoon daarmee in handen van de politie is. [157] Duidelijk is eveneens dat de helpdesk juist deze reden niet wenst te vernemen. [158] Ten slotte merkt de rechtbank op dat uit de bewijsmiddelen volgt dat met de
wipe-verzoeken ‘altijd haast’ is gemoeid. [159]
wipe-verzoek te honoreren klaarblijkelijk was het gevaar dat opsporingsinstanties achter de inhoud van een inbeslaggenomen PGP-telefoon zouden komen. Uit de verdere inhoud van de hiervoor genoemde berichten volgt immers duidelijk dat
wipe-verzoeken waarin werd medegedeeld dat de eigenaar van de telefoon was aangehouden en soortgelijke noodsituaties steeds aanleiding waren tot een (al dan niet geslaagde) poging om de telefoon te wissen.
wipe-verzoeken bij [naam verdacht bedrijf 1] zijn ingekomen, derhalve ongeveer honderd per maand. In ongeveer diezelfde periode (beginnend op 16 november 2014, eindigend op dezelfde datum) werden ruim 29.000 simkaarten geactiveerd dan wel verlengd, derhalve ongeveer 1700 per maand. [161] Daaruit volgt dat bij ongeveer 1 op de 17 verkochte toestellen een
wipe-verzoek werd gedaan. Daarmee staat vast dat het
wipenvan telefoons in elk geval meer dan incidenteel plaatsvond.
wipe-verzoeken aan haar onbekend is gebleven. De rechtbank leidt daaruit af dat de verdediging hier het oog heeft op
wipe-verzoeken met uitsluitend de letter ‘w’ in de onderwerpregel. Daarbij gaat het dus om
wipe-verzoeken die wél conform de regels van het ‘Reseller Manual’ zijn afgehandeld. Niet valt echter in te zien waarom het niet kunnen kennis nemen van dat soort verzoeken de verdediging op achterstand heeft gezet of het door het Openbaar Ministerie aangedragen bewijsmateriaal kwalitatief ongunstig heeft beïnvloed. Immers, indien en voor zover onbekend gebleven
wipe-verzoeken conform de daarvoor opgestelde procedure werden afgehandeld, staat meteen vast dat over de achtergrond en inhoud van die verzoeken geen enkele verdere conclusie kan worden getrokken: noch dat de verzender door de politie was aangehouden en/of zijn telefoon in beslag was genomen, noch dat hij een andere reden had om de inhoud van zijn telefoon te laten wissen. Zoals eerder opgemerkt, gaat het bij het wel analyseerbare materiaal in overgrote meerderheid om gevallen waarin de verzoeker is aangehouden of zijn telefoon in handen van de politie is gevallen. De veronderstelling ligt voor de hand dat dit bij de ‘volgens het boekje’ afgewikkelde verzoeken niet anders was. Bovendien is het bewijsmateriaal met behulp van dezelfde (kennelijk beperkte) zoekfunctie verkregen, zodat niet kan worden gesteld dat de verdediging geen gelijke proceskansen heeft gehad.
nahet plegen van het misdrijf en om hulp die niet van tevoren is afgesproken. Dit onderdeel van het verweer ziet er allereerst aan voorbij dat het beramen van ernstige misdrijven met een strafbedreiging boven een bepaald minimum al dan niet bij afzonderlijke strafbepaling strafbaar is gesteld. Ook het voor justitie verdonkeremanen van berichten waarin over nog te plegen (bijvoorbeeld levens-) delicten overleg wordt gepleegd valt dus onder de strafbaarstelling van het artikel.
wipe-functie ‘van te voren afgesproken’ was, dat neemt niet weg dat niet het maken van die afspraak, maar het reageren op een
wipe-verzoek onder de strafbaarstelling van art. 189 Sr Pro valt. Ook in dit opzicht faalt het verweer dus.
wipe-verzoeken gevaar voor zichzelf afwendde, is de rechtbank niet duidelijk. De
wipe-verzoeken waren immers de (criminele) klanten van verdachte dienstig, niet hemzelf.
wipes.
7..Beslissingen op voorwaardelijke verzoeken
1. [naam persoon 4]
2. [naam persoon 5]
4. [naam persoon 7]
5. [naam persoon 3]
6. [naam persoon 2]
7. Een onafhankelijke deskundige, voor een onderzoek naar (de verkrijging van) het bewijsmateriaal en de bejegening van de geheimhouders, zoals verzocht bij brief van 5 januari 2021.
8..Bewezenverklaring
1, 2 primair, 3, 4 primair, 5 en 6ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
.
.
9..Strafbaarheid van de feiten
10..Strafbaarheid verdachte
11..Motivering straf
wipe-berichten en de daarbij gevolgde, door hem zelf opgestelde policy spreken wat dat betreft boekdelen – en is, ondanks een eerdere waarschuwing, blijven doorgaan met zijn kwalijke handel en wandel. Sterker nog, de productontwikkeling van de telefoons was gericht op het achterhalen van de werkwijze van het NFI bij het ‘kraken’ ervan, zodat men de klanten ook in de toekomst kon beschermen tegen het verkrijgen van belastend bewijsmateriaal door justitie.
12..In beslag genomen voorwerpen
€ 115.644,22 afkomstig van de ABN AMRO-rekening en contante geldbedragen van in totaal € 38.606,00, zullen worden verbeurd verklaard, nu dit voorwerpen zijn die aan de verdachte toebehoren en die grotendeels zijn verkregen door middel van of uit de baten van het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, te weten uit de inkomsten van de verdachte uit [naam verdacht bedrijf 1] .
13..Toepasselijke wettelijke voorschriften
14..Bijlagen
15..Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden;
-
BLACKBERRY
BLACKBERRY
BLACKBERRY
BLACKBERRY
SAMSUNG Galaxy S5
NOKIA RM-145
BLACKBERRY
BLACKBERRY
BLACKBERRY
APPLE
BLACKBERRY
BLACKBERRY
BLACKBERRY