ECLI:NL:PHR:2013:BZ0291
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onmogelijkheid betwisting juridische staat via staatprocedure na verstrijken termijn ontkenning vaderschap
In deze cassatieprocedure staat de vraag centraal of een verzoeker zijn persoonlijke staat als zoon van de wettige vader kan betwisten en zijn werkelijke staat kan inroepen nadat de termijn voor ontkenning van het vaderschap is verstreken. De verzoeker stelde dat hij niet de zoon was van de wettige vader, maar van een andere man, wat door DNA-onderzoek werd ondersteund.
De rechtbank en het gerechtshof verklaarden het verzoek niet-ontvankelijk en wezen het verzoek af, met het oordeel dat de persoonlijke staat volgens de wet en de geboorteakte overeenkomt en dat betwisting van staat slechts mogelijk is bij discrepantie tussen deze staten. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de procedure tot ontkenning van het vaderschap en de staatprocedure onafhankelijk zijn en verschillende rechtsgevolgen hebben.
De Hoge Raad overweegt dat de staatprocedure niet kan worden gebruikt om de juridische vader te betwisten als de termijn voor ontkenning is verstreken. Het belang van rechtszekerheid en het uitgangspunt dat een kind slechts één juridische vader kan hebben, worden hierbij meegewogen. Het beroep wordt verworpen en de verzoeker wordt in de kosten van de procedure veroordeeld.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot betwisting en inroeping van persoonlijke staat wordt afgewezen.