ECLI:NL:PHR:2013:BZ1462

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12/02280
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 RWNArt. 1 lid 2 FaciliteitenwetArt. 1 lid 3 FaciliteitenwetArt. 1 aanhef en onder a WNIArt. 7 aanhef en onder 5 WNI
Verwijzingen
11 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker op grond van art. 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Verzoeker, geboren in 1965, is met zijn ouders in 1951 vanuit Indonesië naar Nederland gekomen en in 1970 teruggekeerd naar Indonesië. In 2003 keerde hij weer terug naar Nederland en vroeg hij de rechtbank om vaststelling van zijn Nederlanderschap.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker niet in aanmerking komt voor het Nederlanderschap op grond van de Faciliteitenwet, omdat hij en zijn ouders ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet woonplaats in Indonesië hadden en niet voldeden aan de voorwaarden van woonplaats of werkelijk verblijf in Nederland. Ook was niet gebleken dat verzoeker of zijn ouders ooit een verzoek hadden gedaan om als Nederlander te worden behandeld.

Verder stelde de rechtbank vast dat verzoeker niet op grond van art. 1 aanhef Pro en onder a van de Wet op het Nederlanderschap en Ingezetenschap (WNI) ten tijde van zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit had verkregen, omdat niet was aangetoond dat zijn vader ooit Nederlander was geweest. Verzoeker had ook niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn Nederlanderschap niet had verloren op grond van art. 7 WNI Pro of art. 15 RWN Pro.

In cassatie klaagde verzoeker tegen deze oordelen, maar de Hoge Raad verwierp het beroep omdat de rechtbank terecht had geoordeeld dat verzoeker en zijn ouders niet voldeden aan de voorwaarden van de Faciliteitenwet en niet was gebleken dat zij ooit Nederlander waren geweest. Klachten over het gelijkheidsbeginsel werden als ongeoorloofd novum afgewezen. Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat verzoeker of zijn ouders ooit de Nederlandse nationaliteit bezaten.

Conclusie

Zaak 12/02280
Mr. P. Vlas
Zitting, 8 februari 2013
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst)
1. Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN). In cassatie wordt geklaagd over de toepassing van de Wet betreffende de positie van Molukkers(1), art. 1 aanhef Pro en onder a en art. 7 aanhef Pro en onder 5 van de Wet op het Nederlanderschap en Ingezetenschap van 1892 (hierna: WNI) en art. 15 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap. De zaak leent zich voor toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.
2. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.(2) [Verzoeker] is op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] geboren als zoon van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. In de door [verzoeker] overgelegde 'Levensloop Familie [van verzoeker]' wordt vermeld dat zijn ouders rond 21 februari 1951 vanuit Surabaya, Indonesië, zijn vertrokken naar Nederland, waar zij op 23 maart 1951 zijn aangekomen in de haven van Rotterdam. Op 5 november 1970 is [verzoeker] met zijn ouders teruggekeerd naar Indonesië. Op 18 mei 2003 is [verzoeker] weer in Nederland aangekomen, aldus voormelde levensloop.
3. Op 5 november 1970 is [verzoeker] uitgeschreven uit Nederland wegens vertrek naar Indonesië. Op 28 februari 2011 is hij wederom ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie, komende vanuit Indonesië. Ten tijde van de bestreden beschikking van de rechtbank was [verzoeker] in het bezit van een Indonesisch paspoort.
4. [Verzoeker] heeft de rechtbank verzocht vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Hij heeft daartoe gesteld de Nederlandse nationaliteit te bezitten op grond van de Faciliteitenwet en voorts op grond van art. 1 aanhef Pro en onder a WNI. Ten slotte heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij zijn Nederlanderschap niet heeft verloren door verloop van een termijn als bedoeld in art. 7 aanhef Pro en onder 5 WNI of op grond van art. 15 RWN Pro.
5. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen omdat niet is gebleken dat [verzoeker] of zijn (voor)ouders op enig moment in het bezit zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit.
6. De rechtbank heeft kort gezegd overwogen dat bepaalde groepen Molukkers op grond van de Faciliteitenwet op aanvraag in aanmerking komen voor een behandeling als Nederlander, maar daardoor niet de staat van Nederlander verkrijgen (art. 1 lid 2 Faciliteitenwet Pro). Ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet had [verzoeker] met zijn ouders woonplaats in Indonesië en derhalve geen woonplaats of werkelijk verblijf in Nederland als bedoeld in art. 1 van Pro deze wet, zodat de bepalingen van deze wet niet op hem van toepassing zijn. De rechtbank is evenmin gebleken dat [verzoeker] of zijn ouders op enig moment op grond van art. 1 lid 3 van Pro deze wet een verzoek hebben gedaan om als Nederlander in de zin van de Paspoortwet te gelden (rov. 4.2).
7. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat [verzoeker] niet op grond van art. 1 aanhef Pro en onder a WNI ten tijde van zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, omdat niet is gebleken dat zijn vader op enig moment het Nederlanderschap zou hebben verkregen en niet is aangegeven op welke andere wijze zijn vader in het bezit zou zijn gekomen van de Nederlandse nationaliteit (rov. 4.3). De rechtbank heeft voorts de stellingen van [verzoeker] omtrent art. 7 aanhef Pro en onder 5 en art. 15 RWN Pro buiten beschouwing gelaten, omdat [verzoeker] nimmer de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen en dus ook geen sprake kan zijn van een eventueel verlies van de Nederlandse nationaliteit (rov. 4.4).
8. [Verzoeker] heeft tegen de beschikking van de rechtbank tijdig cassatieberoep ingesteld.(3) De Staat heeft verweer gevoerd. In tegenstelling tot de Staat heeft [verzoeker] geen procesdossier overgelegd.
9. Het middel is gericht tegen rov. 4.3 waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat [verzoeker] niet op grond van art. 1 aanhef Pro en onder a WNI ten tijde van zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, aangezien niet gebleken is dat zijn vader op enig moment het Nederlanderschap zou hebben verkregen en [verzoeker] niet heeft aangegeven op welke andere wijze zijn vader in het bezit zou zijn gekomen van de Nederlandse nationaliteit.
10. De klachten onder 3.2 t/m 3.4 doen een beroep op bepalingen van de Faciliteitenwet. Deze klachten stranden reeds op hetgeen de rechtbank - in cassatie onbestreden - in rov. 4.2 heeft geoordeeld, namelijk dat [verzoeker] en zijn ouders ten tijde van inwerkingtreding van de wet woonplaats in Indonesië hadden en derhalve geen woonplaats en werkelijk verblijf in Nederland als bedoeld in art. 1 van Pro deze wet. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat deze wet niet op [verzoeker] van toepassing is en dat hij noch zijn ouders een behandeling als Nederlander in de zin van de wet hebben genoten. Bovendien is de rechtbank - in cassatie onbestreden - niet gebleken dat [verzoeker] of zijn ouders op grond van art. 1 lid 3 van Pro de Faciliteitenwet een verzoek hebben gedaan om als Nederlander in de zin van de Paspoortwet te gelden. Voor zover de klacht onder 3.3 aanvoert dat [verzoeker] zijn werkelijk verblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst, mist de klacht feitelijke grondslag, nu de rechtbank in rov. 3.1 en 3.2 - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld dat [verzoeker] in 1970 is vertrokken naar Indonesië en in 2003 dan wel in 2011 is teruggekeerd in Nederland.
11. Voor zover in de klacht onder 3.3 een beroep wordt gedaan op het gelijkheidsbeginsel, is sprake van een ongeoorloofd novum in cassatie. De klacht moet daarom falen. Overigens merk ik op dat het vaste jurisprudentie is dat de Nederlandse nationaliteit niet kan worden verkregen op basis van enig beginsel van algemeen bestuur.(4) De klacht onder 3.4 bouwt op de voorgaande klachten voort en moet het lot daarvan delen. In het middel onder 3.5, waarin wordt ingegaan op de werking van art. 1 aanhef Pro onder a en art. 7 onder Pro 5 WNI, valt geen klacht te ontwaren tegen rov. 4.3 (en evenmin bij welwillende lezing tegen rov. 4.4).
12. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Wet van 9 september 1976, houdende regelen omtrent de positie van in Nederland wonende Molukkers die niet het Nederlanderschap bezitten, Stb. 1976, 468 (inwerkingtreding op 1 januari 1977), ook wel aangeduid als de Faciliteitenwet.
2 Zie rov. 31 en 3.2 van de bestreden beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 januari 2012.
3 De termijn van drie maanden is in verband met Koninginnedag op grond van art. 1 jo Pro. 3 ATW verlengd tot en met 1 mei 2012.
4 HR 16 september 1994, LJN: ZC1450, NJ 1995/563, m.nt. GRdG.