ECLI:NL:PHR:2013:BZ3627
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest verkrachting wegens onvoldoende bewijs dwang door feitelijkheid
In deze zaak werd de verdachte door het hof Amsterdam veroordeeld voor meervoudige verkrachting van zijn dochter in de periode van december 1991 tot maart 1995. Het hof achtte bewezen dat de verdachte seksuele handelingen initieerde en misbruik maakte van zijn fysieke en psychische overwicht als vader, waardoor sprake zou zijn van dwang door feitelijkheid in de zin van art. 242 Sr Pro.
De Hoge Raad stelt echter dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat telkens sprake was van dwang door feitelijkheid. De enkele omstandigheid dat de verdachte de vader is, is onvoldoende. Voor bewijs van dwang door feitelijkheid moet vaststaan dat de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk uitoefende dat het slachtoffer zich niet kon verzetten.
Verder bespreekt de Hoge Raad de ruime interpretatie van het begrip "verkrachting" in jurisprudentie, waarbij ook handelingen als tongzoenen en het brengen van vingers tussen schaamlippen als seksueel binnendringen worden gekwalificeerd. De conclusie is dat deze jurisprudentie heroverwogen dient te worden omdat het begrip verkrachting in de praktijk te ruim wordt uitgelegd, wat kan leiden tot verwarring en inflatie van juridische termen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling, met name wat betreft het bewezenverklaren van dwang door feitelijkheid en de strafoplegging.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het bewezenverklaren en de strafoplegging.