ECLI:NL:PHR:2013:BZ7391
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid rechter bij arbitragebeding en toewijzing wettelijke handelsrente
Deze zaak betreft een geschil tussen de provincie Fryslân en een gemachtigde van ING Bank over de inning van verpande vorderingen en de toepasselijkheid van een arbitragebeding. De provincie had de turnkey-overeenkomst met aannemingsmaatschappij [A] buitengerechtelijk ontbonden wegens tekortkomingen, waarna een faillissement volgde. ING Bank had een pandrecht op vorderingen van [A] op de provincie en had deze vorderingen aan een gemachtigde gecedeerd.
De gemachtigde vorderde betaling van openstaande facturen, welke door de provincie werden betwist met een beroep op verrekening en het arbitragebeding in de turnkey-overeenkomst. Het hof oordeelde dat het beroep op onbevoegdheid van de rechter vanwege het arbitragebeding tijdig was gedaan en kende de vordering toe inclusief wettelijke handelsrente.
De Hoge Raad stelt dat het beroep op onbevoegdheid voor alle weren moet worden gedaan, doorgaans in het eerste processtuk, en dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het beroep in hoger beroep tijdig zou zijn. Ook is het oordeel van het hof over de toewijzing van de wettelijke handelsrente onvoldoende gemotiveerd, aangezien de provincie dit uitvoerig betwistte. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.