ECLI:NL:PHR:2013:BZ8645
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wijziging tenlastelegging op grond van hetzelfde feit bij oplichting en witwassen
In deze zaak stond de vraag centraal of de wijziging van de tenlastelegging van oplichting (art. 326 Sr Pro) naar witwassen (art. 420bis Sr) toelaatbaar was onder het begrip 'hetzelfde feit' zoals bedoeld in art. 68 Sr Pro. De verdachte werd aanvankelijk door het hof veroordeeld voor witwassen na een wijziging van de tenlastelegging die door de politierechter was toegestaan. De verdediging stelde dat deze wijziging niet toelaatbaar was omdat het om verschillende feiten zou gaan.
De Hoge Raad formuleerde relevante vergelijkingsfactoren voor de beoordeling van 'hetzelfde feit', zoals de juridische aard van de feiten, de beschermde rechtsgoederen, strafmaxima en de feitelijke gedragingen. De Hoge Raad concludeerde dat oplichting en witwassen een zekere verwantschap vertonen doordat beide misdrijven het vertrouwen in het financieel-economisch verkeer beschermen en dat de strafmaxima slechts in geringe mate verschillen. Ook bleven de gedragingen in de tenlastelegging substantieel gelijk.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de tenlastelegging voldoende duidelijk was en dat de kwalificatie als witwassen niet onbegrijpelijk was. De klacht over de nietigheid van de dagvaarding wegens onduidelijkheid werd verworpen omdat dit verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd en de verdediging geen onduidelijkheid had aangevoerd.
Ten slotte stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden en besloot ambtshalve de opgelegde werkstraf te verminderen. De overige middelen van cassatie werden verworpen, waarmee het hofarrest grotendeels in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor witwassen en vermindert ambtshalve de opgelegde werkstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.