ECLI:NL:PHR:2013:CA0827
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing Rijnvarendenverdrag en sociale verzekeringsplicht van varend personeel op binnenvaartschip
De belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam op een binnenvaartschip dat mede op de Rijn voer, was in dienst bij een Luxemburgs bedrijf dat personeel ter beschikking stelde. Luxemburg gaf hem een E 101-verklaring af, maar de Nederlandse Inspecteur weigerde vrijstelling van premieheffing op grond van het Rijnvarendenverdrag (RV), dat voorrang heeft op Verordening (EEG) 1408/71. Rechtbank en Hof stelden de Inspecteur in het gelijk.
De kern van het geschil betrof de vraag of de belanghebbende als rijnvarende kon worden aangemerkt, waarbij vereist is dat het schip een art. 22 HRA Pro-verklaring bezit en in de Rijnvaart wordt gebruikt. Hoewel het Hof abusievelijk een ROSR-certificaat gelijkstelde aan een art. 22 HRA Pro-verklaring, was er voldoende feitelijke basis voor het oordeel dat het schip aan de nautisch-technische eisen voldeed. Tevens oordeelde het Hof dat de exploitant van het schip in Nederland gevestigd is, wat bepalend is voor de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving.
De belanghebbende voerde onder meer aan dat de Luxemburgse E 101-verklaring bindend was en dat het Rijnvarendenverdrag niet van toepassing was. De Hoge Raad verwierp deze gronden en bevestigde dat het RV voorrang heeft en dat de E 101-verklaring in dit geval geen betekenis heeft. Ook het betoog dat het ontbreken van een art. 22 HRA Pro-verklaring de toepassing van het RV in de weg staat, faalde. Het Hof had voldoende gemotiveerd geoordeeld dat het schip in de Rijnvaart werd gebruikt en dat de exploitant in Nederland was gevestigd.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de belanghebbende ongegrond en liet het incidentele beroep van de Staatssecretaris buiten behandeling. Hiermee is bevestigd dat de belanghebbende sociaal verzekerd is in Nederland op grond van het Rijnvarendenverdrag.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de belanghebbende wordt ongegrond verklaard, waarmee bevestigd is dat Nederland als verzekeringsstaat geldt op grond van het Rijnvarendenverdrag.