Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
acquis communautaire, waaronder Vo. 1408/71, brengt dus niet mee dat Cyprus partij zou zijn geworden bij het RVV. Dan dringt zich een keuze uit twee benaderingen op:
i.e.RVV-partijen. Aanvaarding van art. 7 Vo Pro. 1408/71 door Cyprus betekent dus dat Cyprus heeft aanvaard dat voor Rijnvarenden uitsluitend kan worden aangewezen het stelsel van één van de Rijnoeverstaten of van Luxemburg. Deze benadering ligt niet voor de hand omdat zij nog veel verder gaat dan doen alsof Cyprus wél RVV-partij zou zijn geworden. Zij impliceert immers dat ook als exploitant én werkgever én Rijnvarende in Cyprus gevestigd zijn, toch niet (nooit immers) aangesloten kan worden bij het Cypriotische stelsel omdat het RVV nooit toewijst aan niet-RVV-partijen.
acte clair. Ik meen daarom dat prejudiciële vragen aan het HvJ EU aangewezen zijn.
nietCyprus aanwijst, zijn standpunt niet kan dienen; welke betekenis de Luxemburgse E106-verklaring ook zou kunnen hebben,
nietde betekenis dat het sociale-verzekeringsstelsel van Cyprus wordt aangewezen; (ii) ook volgens de belanghebbende en zonder dat enig rechterlijk onderzoek vereist is, vanaf 1 oktober 2009 elk aanknopingspunt met Luxemburg ontbreekt; een andere lidstaat is alsdan naar mijn mening niet gehouden – ook niet op grond van de HvJ EU-arresten
Fitzwilliamen
Kiere- om de manifest ten onrechte niet-intrekkende verklaringsstaat eerst te bewegen een ook volgens de belanghebbende voorwerploze verklaring in te trekken alvorens er aan voorbij te kunnen gaan. Voor de periode 24 juli – 1 oktober 2009 stemt ‘s Hof oordeel overeen met HR BNB 2012/56 en HR BNB 2013/257: aan E106- (en E101-)verklaringen komt geen betekenis toe als Vo. 1408/71 haar eigen toewijzingsregels uitschakelt ten gunste van de toewijzingsregels van het RVV, die voor die periode toewijzen aan Nederland. Het Hof Den Bosch heeft echter (wél) prejudiciële vragen gesteld (zaak C-72/14,
X v Belastingdienst), naar aanleiding waarvan u zelf prejudicieel de vraag heeft gesteld (HR BNB 2014/127) of u u daar iets van moet aantrekken (zaak C-197/14,
T.A. van Dijk). U zou kunnen overwegen die zaken af te wachten, al gaat het in casu niet om een E101-verklaring, maar een E106-verklaring. Als u toch al naar aanleiding van middel (i) prejudicieel vragen stelt, kunt u overwegen ook over de eventuele betekenis van de Luxemburgse E106-verklaring vragen te stellen, mede nu zij, hoewel ook volgens de belanghebbende manifest onjuist, kennelijk niet is ingetrokken na 1 oktober 2009.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
- i) Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld (r.o. 7.4) dat het RVV ook voor Cyprus geldt;
- ii) Het Hof is ten onrechte voorbijgegaan (r.o. 7.7 en 7.8) aan de voor 2010 afgegeven Cypriotische E101-verklaring en de voor 2009 afgegeven Luxemburgse E106-verklaring;
- iii) Het Hof heeft ten onrechte niet aannemelijk geoordeeld (r.o. 7.9) dat de heffing bij de belanghebbende en de naheffing bij de sàrl tot dubbele premieheffing heeft geleid;
- iv) Het Hof heeft ten onrechte, althans niet-begrijpelijk geoordeeld (r.o. 7.10) dat “Uit al vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is”, nu hij niet is ingegaan op belanghebbendes beroep op de nog niet onherroepelijk ingetrokken Rijnvaartverklaring van 10 augustus 2007 die de sàrl als exploitant vermeldt.
5.Het Rijnvarendenverdrag c.a.
6.Verordening (EEG) nr. 1408/71 (coördinatie sociale zekerheid)
VERBETERING VAN DE REGELS VOOR DE COORDINATIE VAN DE WETTELIJKE REGELINGEN INZAKE SOCIALE ZEKERHEID
7.De thans geldende Vo. 883/2004 en ToepassingsVo. 987/2009
- overwegende dat de toepasselijke wetgeving die van de Ondertekenende Staat moet zijn waar de Rijnvarende voor de uitoefening van zijn beroepsactiviteit de nauwste banden mee onderhoudt;
- overwegende dat de wetgeving van de Ondertekenende Staat waar de zetel of het filiaal van de onderneming of vennootschap zich bevindt die het schip daadwerkelijk exploiteert, beschouwd moet worden als de wetgeving waarmee deze beroepsactiviteit het nauwst verbonden is,
Verklaringen betreffende de toepasselijke wetgeving (E101) en betreffende aanspraak op ziekte- en moederschapsverstrekkingen (E106)
9.Beoordeling van de middelen
acquis communautaire, waaronder Vo. 1408/71, brengt dus niet mee dat Cyprus partij zou zijn geworden bij het RVV.
acquis communautaire, waaronder de toewijzingsregels van Vo. 1408/71 die zeggen dat het RVV van toepassing blijft. Art. 11(2) van dat RVV wijst uitsluitend toe aan ‘Verdragsluitende Partijen’ (zie de tekst in onderdeel 5.4), dat wil zeggen aan RVV-partijen. Aanvaarding van art. 7 Vo Pro. 1408/71 door Cyprus betekent dus dat Cyprus heeft aanvaard dat voor Rijnvarenden uitsluitend de sociale-zekerheidswetgeving van één van de RVV-Staten kan worden aangewezen. De Verordening geeft immers voorrang aan de toewijzing in het RVV en die toewijzing wijst uitsluitend naar RVV-partijen. Deze benadering ligt niet voor de hand omdat zij nog veel verder gaat dan doen alsof Cyprus wél RVV-partij zou zijn geworden. Zij impliceert immers dat ook als exploitant én werkgever én Rijnvarende in Cyprus gevestigd zijn, toch niet (
nooitimmers) aangesloten kan worden bij het Cypriotische stelsel omdat het RVV nooit toewijst aan niet-RVV-partijen. Deze benadering impliceert ook dat – ongeacht de feiten –
nooitvan toepassing kon of kan zijn het stelsel van (destijds mede-EEG-
founding father) Italië en later de stelsels van alle later toegetreden niet-RVV-lidstaten, zélfs niet als niet alleen de Vo.-regels naar die niet-RVV-Staat wijzen, maar ook het RVV zelf naar die Staat zou wijzen als hij wél RVV-partij was geweest.
niet-verzekering leiden als toepassing van het RVV door de ene betrokken Staat en toepassing van de Vo. door de andere Staat er toe leidt dat beide Staten vinden dat de andere bevoegd is (negatief jurisdictieconflict).
acte clairis, mede omdat de juridisch minst onaantrekkelijke benadering lijkt te leiden tot het maatschappelijk minst wenselijke resultaat en dat daarom vragen aan het HvJ EU over de uitleg van de Verordening aangewezen zijn.
nietCyprus aanwijst, zijn standpunt niet kan dienen; welke betekenis de Luxemburgse E106-verklaring ook heeft,
nietde dat Cyprus wordt aangewezen; (ii) vanaf 1 oktober 2009 ontbreekt ook volgens de belanghebbende en ook zonder dat daartoe enig (al dan niet) rechterlijk onderzoek nodig is, elk aanknopingspunt met Luxemburg; een andere lidstaat is in die omstandigheden mijns inziens niet gehouden – ook niet op grond van de arresten
Fitzwilliam [50] of
Herbosch Kiere [51] – om de ten onrechte niet-intrekkende verklaringstaat eerst te bewegen een volgens iedereen voorwerploze verklaring in te trekken alvorens er aan voorbij te kunnen gaan. Ik merk daarbij op dat beide genoemde arresten gingen over een E101-verklaring, die het toepasselijke verzekeringsstelsel aanwijst, terwijl het in belanghebbendes zaak gaat om een E106-verklaring, die slechts kennisgeving inhoudt van het bestaan van een recht op verstrekkingen wegens ziekte of moederschap ten laste van de lidstaat van afgifte.
X v Belastingdienst. [54] Zijn vragen luidden als volgt:
T.A. van Dijk. [56] Het HvJ EU heeft bij besluit van 24 februari 2015 beide zaken gevoegd en hen toegewezen aan de tweede kamer, die zonder mondelinge behandeling uitspraak zal doen. De conclusie van de advocaat-generaal Wahl is voorzien voor de openbare zitting van 13 mei 2015. De Commissie heeft in haar opmerkingen het standpunt ingenomen dat, kort gezegd, ook indien het RVV van toepassing is, een E101-verklaring de (rechterlijke) autoriteiten van andere lidstaten bindt zolang zij niet is ingetrokken of ongeldig verklaard door de autoriteiten van de verklarende Staat, nu die verklaring het enige is om op af te gaan: er is geen RVV-verklaring.