Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
Union des caisses de Maladie Luxembourgheeft de belanghebbende op 1 maart 2006 een E101-verklaring gegeven die verklaart dat de “
institution compétente dont la législation est applicable"is het Luxemburgse
centre commun de la sécurité sociale. Op 25 augustus 2006 hebben de Luxemburgse autoriteiten een
certificat d’exploitationafgegeven dat [B] aanwijst als exploitant van de [A]. Op 14 november 2007 heeft het Nederlandse ministerie van V&W een Rijnvaartverklaring voor de [A] aan [C] afgegeven die eveneens [B] als exploitant noemt. Die laatste aanwijzing is later ingetrokken, maar gegeven het vertrouwen dat zij heeft gewekt, beperkt het huidige geschil over belanghebbendes aanslagen inkomstenbelasting/premieheffing zich tot de periode 1 januari 2006 t/m 14 november 2007.
BNB2013/257. Het HvJ EU heeft de zaken gevoegd (C-72/14 en C-197/14,
X en Van Dijk). De belanghebbende is de ‘X’ uit die gevoegde zaken. Het HvJ EU antwoordde het Hof Den Bosch dat Rijnvarenden die onder het Rijvaartverdrag vallen, niet onder Vo. 1408/71 vallen en dat de litigieuze E101-verklaring daarom geen E101-verklaring is in de zin van die verordening en daarom niet de gevolgen meebrengt die aan een geldige E101-verklaring zijn verbonden. Dat betekent volgens het HvJ EU niet dat aan de verklaring geen enkel rechtsgevolg toekomt, maar hij heeft in het midden gelaten welk rechtsgevolg zo’n EU-rechtelijk betekenisloze verklaring dan wél zou (kunnen) hebben. ‘s Hofs antwoord op uw vraag luidde dat een verwijzingsplichtige rechter niet verplicht is een zaak aan te houden in afwachting van een antwoord van het HvJ EU of om zelf vragen te stellen enkel omdat een lagere nationale rechter vragen heeft gesteld.
certificat d’exploitation. Lijdt de belanghebbende schade door dubbele premiebetaling, dan zal hij zich voor vergoeding tot Luxemburg moeten wenden dat mogelijk rechtens relevant vertrouwen heeft gewekt dat hij (niet in Nederland maar) in Luxemburg verzekerd was, aldus het Hof Den Bosch.
Fitzwilliam). Bij Rijnvarenden schakelt Vo. 1408/71 zichzelf echter uit en verwijst zij integraal naar het Rijnvarendenverdrag (C-72/14 en C-197/14,
X en Van Dijk). Als het EU-recht zichzelf uitschakelt, zoals in belanghebbendes geval, is mijn inziens ook het EU-beginsel van loyale samenwerking (art. 4(3) VEU) niet van toepassing is, maar ook als dat anders zou zijn, zou dat beginsel in casu juist meebrengen dat de lidstaten verplicht zijn het Rijnvarendenverdrag correct toe te passen en diens correcte toepassing niet te hinderen. Nederland heeft dus correct gehandeld. De goede verdragstrouw lijkt mij evenmin geschonden, nu Nederland niet eenzijdig enige verdragstoewijzing (potentieel) probeert te wijzigen, maar juist zowel Vo. 1408/71 als het Rijnvarendenverdrag correct en te goeder trouw uitvoert.
X en Van Dijkverklaard dat zijn antwoord niet wil zeggen dat aan de Luxemburgse verklaring geen enkele betekenis toekomt, maar daarmee heeft hij mijns inziens slechts willen zeggen dan dat hij niet bevoegd is zich uit te laten over mogelijke nationaalrechtelijke (bewijs)betekenis van een EU-rechtelijk betekenisloze verklaring, bijvoorbeeld als bewijsmiddel in een procedure op basis van intern recht met het oog op ongedaanmaking van dubbele premieheffing door belanghebbenden te goeder trouw die aan die dubbele premieheffing geen dubbele aanspraken kunnen ontlenen.
certificat d’exploitationafgegeven ter zake van het schip, maar (i) dat certificaat is kennelijk weer ingetrokken, (ii) het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat het onjuist was, (iii) de belanghebbende kan er geen vertrouwen aan ontlenen omdat het niet aan hem is afgegeven en (iv) (ook) het Luxemburgse
tribunal administratifheeft kennelijk geoordeeld dat [B] geen scheepsexploitant is. Het eerste middel faalt daarom.
contra legem.
contra legemdan de Nederlandse belastingrechter, zeker als het gaat om vertrouwen
contraEU-recht gewekt door nationale autoriteiten.
Union des caisses de Maladie Luxembourgaan hem of zijn werkgever afgegeven onjuiste E101-verklaring. De Nederlandse rechter kan echter naar Nederlands recht geen beroep honoreren op vertrouwen op
contra tractatusverklaringen van een niet-Nederlandse en dus in Nederland onbevoegde autoriteit. Nederland heeft jegens de belanghebbende geen rechtens relevant vertrouwen gewekt dat hij in de geschilperiode niet in Nederland maar in Luxemburg verzekerd zou zijn. Belanghebbendes beroep op het rechtszekerheidsbeginsel gaat om dezelfde redenen jegens Nederland niet op. Zijn stelling dat Luxemburg de aldaar betaalde premies niet terugbetaalt omdat [B] inmiddels failliet is en zijn vordering is verjaard, is een ontoelaatbaar novum in cassatie, maar wijst bovendien, indien juist, niet op enige omstandigheid waar Nederland voor verantwoordelijk gehouden kan worden. Mogelijk kan de belanghebbende zich tot Luxemburg of tot de bedenkers van de uitzendconstructie wenden.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Union des caisses de Maladie Luxembourgheeft op 1 maart 2006 een E101-verklaring aan de belanghebbende afgegeven die verklaart dat zijn werkzaam-heden voor [B] zijn aangevangen op 1 januari 2002 en dat het Luxemburgse
centre commun de la sécurité socialeis de “
institution compétente dont la législation est applicable”.
certificat d’exploitationafgegeven dat [B] als exploitant van de [A] vermeldt. Op 14 november 2007 heeft het ministerie van V&W aan [C] opnieuw een Rijnvaartverklaring voor de [A] afgegeven, die dit keer [B] als exploitant vermeldde. De Inspecteur heeft daarom bij de in geschil zijnde aanslagen inkomstenbelasting/premieheffing 2016 en 2017 geen premies volks-verzekeringen geheven over de periode na 14 november 2007. Volgens de Rechtbank (r.o. 2.4) heeft de Inspectie V&W de (onjuiste) tweede Rijnvaartverklaring op 24 juli 2009 ingetrokken.
union des caisses de Maladie Luxembourgde volgende vragen gesteld over de door die autoriteit aan de belanghebbende afgegeven E101-verklaring:
([C])
(Captain/[B])
(Captain/[B])
([C])
(Captain/[B])
(Captain/[B])
[C])
[C])
[C])
Annual lumpsum management fee with indexation.”
Fitzwilliam [2] -doctrine van het HvJ EU valt, hetgeen zou meebrengen dat andere lidstaten haar moeten erkennen (zie 5.1 hieronder). Hij heeft die doctrine als volgt weergegeven:
Fitzwilliam:
BNB2013/257 (zie 5.7), had geoordeeld dat geen betekenis toekomt aan een E101-verklaring als niet Vo. 1408/71, maar het Rijnvarenden-verdrag van toepassing is, en dat het alsdan voorbijgaan aan die verklaring geen schending is van het EU-beginsel van loyale samenwerking. U had in HR
BNB2013/257 geen vragen aan het HvJ EU gesteld omdat volgens u aan uw uitleg van het EU-recht redelijkerwijs geen twijfel bestond. Daarover dacht het Hof Den Bosch dus anders. U vroeg het HvJ EU daarom bij tussenuitspraak [4] of u de bij u aanhangige zaak moest aanhouden in afwachting van het antwoord op de Bossche vragen, of voet bij stuk kon houden conform HR
BNB2013/257:
X; de belanghebbende) en die van u (
Van Dijk) gevoegd (C-72/14 en C-197/14) en heeft geantwoord [5] dat Rijnvarenden niet onder Vo. 1408/71 maar onder het Rijnvarendenverdrag vallen en dat de verklaring dus ook in belanghebbendes geval niet als E101-verklaring ex Vo. 1408/71 kan gelden, zodat zij niet de gevolgen meebrengt die aan een E101-verklaring zijn verbonden, met name niet gebondenheid van andere lidstaten. Dat impliceerde volgens het HvJEU echter niet dat de verklaring geen enkel rechtsgevolg heeft, maar hij liet in het midden wat hij met dat
obiter dictumbedoelde:
BNB2015/230 als volgt:
V-N2015/44.17 betreurde het dat het HvJ EU niet ophelderde welk rechtsgevolg (dan wél) aan de onjuiste E101-verklaring kan toekomen:
Van Dijkals volgt diens klacht af dat ondanks die antwoorden het EU-beginsel van loyale samenwerking zou worden geschonden als de Luxemburgse E101-verklaring zou worden genegeerd (HR
BNB2016/101): [6]
mutatis mutandisgelijk is aan die over 2006):
X en Van Dijk, afgeleid dat Nederland niet is gebonden aan de Luxemburgse E101-verklaring. Hij meent dat het HvJ EU-arrest
A-Rosa Flussschiff [8] (zie 5.3) dat niet anders maakt, evenmin als Unierechtelijke of nationale beginselen of bepalingen:
3.Het geding in cassatie
Fitzwilliam(zie 5.1). Volgens hem volgt dat ook uit art. 2 van Pro de Administratieve Schikking voor de toepassing van het Rijnvarendenverdrag (zie 4.8). Hij beroept zich voorts op het beginsel van loyale samenwerking en op de goede verdragstrouw:
X en Van Dijk; PJW] heeft het HvJ-EU in r.o. 50 overwogen:
X en Van Dijkvan het HvJ (r.o. 50) [niet; PJW] volgt dat de E101-verklarlng niet bindend is tussen lidstaten (van de EU). Het HvJ EU oordeelt in de uitspraak X en Van Dijk niet dat de E101-verklarlng niet bindend is tussen verdragstaten van het Rijnvarendenverdrag. Het HvJ EU doet geen uitspraak omtrent het internationaal recht, het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden. Het HvJ EU is daartoe ook niet bevoegd.
Banks e.a. v. Koninklijke Muntschouwburg(C-178/97) en stelt hij dat hij in Luxemburg geen verhaal kan halen omdat zijn werkgever [B] inmiddels failliet is en de verjaringstermijn is verstreken:
Van Dijk(zie 2.14 hierboven) betekent volgens de belanghebbende dat getoetst moet worden aan het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, mede ‘in het kader van het VEU’:
verweerreageert de Staatssecretaris opmerkelijkerwijs op drie cassatiemiddelen, hoewel de belanghebbende er slechts twee voorstelt. Ik vermoed dat de Staatssecretaris bij het knippen en plakken uit stukken in twee vergelijkbare andere bij u aanhangige zaken van dezelfde gemachtigde (rolnrs. 18/00438, [X1] en 18/00439, [X2]) even afgeleid was. In die zaken heeft de gemachtigde wel drie cassatiemiddelen voorgesteld.
Van Dijk(zie 2.18). Hij meent voorts met het Hof Den Bosch dat de communautaire formulieren die volgens Besluit nr. 4 van de ACR ook voor Rijnvarendenverdragsdoeleinden mogen worden gebruikt, alleen formulieren ex de Besluiten nrs. 2 en 3 kunnen vervangen, waaronder zich niet een met een E101-verklaring vergelijkbaar formulier bevindt, zodat van vervanging van zo’n formulier ook geen sprake kan zijn. ’s Hofs oordeel dat de belanghebbende niet heeft bewezen dat het management van het schip bij [B] berustte, is volgens hem feitelijk en niet onbegrijpelijk.
Banksniet relevant omdat die zaak een EU-rechtelijk wél relevante E101-verklaring betrof. De Staatssecretaris wijst voorts op de ook door het Hof genoemde uitspraak van het
tribunal administratif du Grand-Duché de Luxembourg [9] die volgens hem het herziene Luxemburgse standpunt bevestigt dat ook volgt uit diens intrekking van het
certificat d’exploitation, nl. dat [B] niet de exploitant van het schip is, waaruit volgt dat het Rijnvarendenverdrag niet Luxemburg aanwijst. Het oordeel van het HvJ EU dat het gebruik van een E101-formulier in het geval van Rijnvarenden andere lidstaten niet bindt, houdt volgens de Staatssecretaris impliciet mede het oordeel in dat geen beroep kan worden gedaan op de EU-rechtelijke vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginselen.
repliekherhaalt de belanghebbende zijn eerder ingenomen standpunten. Hij gaat ook in op de in 3.7 genoemde reactie van de Staatssecretaris op een derde middel dat in belanghebbendes zaak echter niet is voorgesteld.
5.Rechtspraak
Het Hof van Justitie van de EU
Department of Social Welfarehad E101-verklaringen afgegeven die verklaarden dat de naar Nederland uitgezonden werknemers aan de Ierse socialezekerheidsregeling onderworpen bleven. Nederland wilde premies heffen over het loon van al Fitzwilliam’s in Nederland werkzame werknemers. Het HvJ EU oordeelde dat Nederland de werknemers niet aan zijn socialezekerheidsregeling mocht onderwerpen zolang de E101-verklaringen niet waren ingetrokken of ongeldig verklaard:
Fitzwilliam-leer is rigide, maar een (op Vo. 1408/71 of Vo. 883/2004 gebaseerde) E101-verklaring bindt de andere Lidstaten niet als zij frauduleus is verkregen. De zaak
Altun e.a. v. België [18] betrof een Belgische vennootschap in de bouw met nauwelijks eigen personeel. Zij onder-aanbesteedde het werk aan Bulgaarse ondernemingen, die werknemers detacheerden in België. Voor die werknemers waren E101- of A1-verklaringen afgegeven door de bevoegde Bulgaarse autoriteit. Na gerechtelijk onderzoek concludeerden de Belgische autoriteiten dat die verklaringen frauduleus waren verkregen of ingeroepen. De Bulgaarse autoriteit had echter niet gereageerd op een gedocumenteerd verzoek om hen in te trekken. De Belgische rechter vroeg het HvJ EU of hij ook in die omstandigheden aan die zijns inziens valse E101-verklaringen gebonden was. Het antwoord luidde als volgt:
A-Rosa Flussschiff [19] betrof een vennootschap met zetel in Duitsland die twee cruiseschepen exploiteerde die uitsluitend op de Franse binnenwateren voeren en waarvan het Zwitserse filiaal verantwoordelijk was voor alles wat te maken had met de scheepsactiviteiten, het beheer, de administratie en het personeel. De Bevoegde Franse autoriteit, de
Urssaf, stelde onregelmatigheden vast bij de verzekering van werknemers in het hotelwerk van de schepen en legde een naheffingsaanslag op. Rosa Flussschiff legde E101-verklaringen over die ex art. 14(2)(a) Vo. 1408/71 waren afgegeven door de bevoegde Zwitserse autoriteit.
Urssafhad de Zwitserse autoriteit verzocht de verklaringen in te trekken omdat zij volgens
Urssafniet ex art. 14(2)(a) Vo. 1408/71 hadden mogen worden verstrekt, nu de schepen permanent en uitsluitend in Frankrijk voeren. Het HvJ EU antwoordde op vragen van de Franse
cour de cassationdat een E101-verklaring de lidstaten bindt, zelfs als een lidstaat vaststelt dat de voorwaarden waaronder een werknemer zijn werk doet kennelijk niet binnen de materiële werkingssfeer van art. 14(2)(a) Vo. 1408/71 vallen:
X en Van Dijk, C‑72/14 en C‑197/14, EU:C:2015:564, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
USZ2017/257 in op de verschillen tussen
A-Rosa Flussschiffen
X en Van Dijk:
X en Van Dijk] ging het om de afgifte van een E101-verklaring door het bevoegde orgaan van Luxemburg. De beantwoording van de vragen door het hof in die zaken gaat uit van de premisse dat op de betreffende casus het Rijnvarendenverdrag van toepassing is. Uit art. 7 lid 2 onder Pro a Vo 1408/71 volgt dan dat die casus niet vallen onder de werkingssfeer van Vo 1408/71. Voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving is titel II van Vo 1408/71, en in zoverre een E101-verklaring, dan ook niet van belang. Het hof merkt daarbij nog wel op dat dit niet betekent dat zo’n verklaring geen enkel rechtsgevolg heeft. Ik wijs er nog op dat onder Vo 883/2004 een voorrangsregel als neergelegd in art. 7 lid 2 onder Pro a Vo 1408/71 niet is opgenomen.
Intermodal Transports BV [20] betrof de vraag welke rechtswaarde toekomt aan een door douaneautoriteiten van een andere lidstaat verstrekte bindende tariefinlichting (bti). De Nederlandse douane meende dat “Magnun ET120 Terminal Tractors” onder GN-postonder-verdeling 8701 20 10 vielen. De Finse douane daarentegen had aan een in Finland gevestigde vennootschap een – nog geldige - bti verstrekt die de soortgelijke “Sisu-Terminaalkraktori” onder GN-post 8709 indeelde. U achtte die indeling onjuist en de Nederlandse douane er niet aan gebonden, maar stelde toch prejudiciële vragen, die het HvJ EU als volgt beantwoordde:
Sony Supply Chain [21] wilde dezelfde douane-tariefindeling van een type spelcomputer (PS2) als haar zustervennootschap, die voor hetzelfde type met terugwerkende kracht een bti van de Britse douane had verkregen. Ook in een dergelijk geval kan geen beroep worden gedaan op een aan een ander afgegeven bti, aldus het HvJ EU in antwoord op door u gestelde prejudiciële vragen:
BNB2012/56 [22] betrof een stuurvrouw op een binnenvaartschip van haar echtgenoot die de scheepsresultaten als winst uit zijn onderneming verantwoordde. De opbrengsten kwamen geheel aan hem toe en de kosten kwamen geheel voor zijn rekening. Zijn (stuur)vrouw was in dienst van een Luxemburgse vennootschap. In geschil was of de stuurvrouw in Nederland of in Luxemburg verzekerd en premieplichtig was. Niet in geschil was dat zij Rijnvarende was in de zin van het Rijnvarendenverdrag. Zij stelde te beschikken over een Luxemburgse E106-verklaring, [23] maar het Hof had vastgesteld dat zij geen dergelijk formulier had overgelegd omdat zij stelde het kwijt te zijn. De inspecteur had het bestaan van een E106-formulier betwist. U overwoog, ook voor het geval een Luxemburgs E106-formulier zou bestaan:
BNB2013/257 [24] woonde in Nederland, was in dienst bij een in Luxemburg gevestigde vennootschap, en werkte op een binnenvaartschip in eigendom van een in Nederland gevestigde BV. Luxemburg had een E101-verklaring aan hem afgegeven. Ik concludeerde in die zaak (ik laat voetnoten weg):
Fitzwilliamdat niet anders maakt omdat dat arrest een voor de belanghebbende niet relevant ander geval betrof: in
Fitzwilliamwas niet in geschil dat het Rijnvarendenverdrag niet en de Verordening wél van toepassing was. In belanghebbendes geval is wél in geschil of het Rijnvarendenverdrag van toepassing is en daardoor Vo. 1408/71 uitgeschakeld wordt.
BNB2014/264 [25] oordeelde u dat een Rijnvarende inwoner die stelt niet in Nederland verzekerd te zijn, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur aannemelijk moet maken dat hij niet in Nederland is verzekerd:
tribunal administratif du Grand-Duché de Luxembourgin 2010 in een procedure over de Luxemburgse weigering van een Rijnvaart-verklaring had geoordeeld dat [B] niet als exploitant van binnenschepen kan worden aangemerkt (zie 5.12 hieronder). De kapitein had voor het Hof Arnhem-Leeuwarden aangevoerd dat zijn E101-verklaring, gezien r.o. 50 van
X en Van Dijk, wel degelijk moest worden gerespecteerd op grond van (primair) het Rijnvarendenverdrag en Besluit nr. 4 van het ACR (zie 4.9) en (subsidiair) de vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginselen. Het Hof verwierp deze stellingen:
tribunal administratif du Grand-Duché de Luxembourguit 2010 die volgens hem het herziene Luxemburgse standpunt bevestigt dat ook volgt uit de intrekking van het
certificat d’exploitationin belanghebbendes zaak nl. dat [B] niet de exploitant van het schip is, waaruit volgt dat de belanghebbende niet in Luxemburg is verzekerd.
Receveur, van een verzoek om een Rijnvaartverklaring op de grond dat de Luxemburgse vennootschap die volgens het verzoek de exploitant was, niet als exploitant kon worden aangemerkt. Uit de geanonimiseerde uitspraak [28] valt niet op te maken om welk schip, welke aanvrager (
demanderesse) en welke Luxemburgse vennootschap het gaat, maar volgens de Rechtbank (r.o. 2.14, zie 2.10) en de Staatssecretaris (p. 3 cassatieberoepschrift) gaat het om [B]. Doordat in de op internet gepubliceerde versie de namen van de betrokkenen niet zijn vervangen door X of Y, maar zijn weggelaten (‘…’), is de uitspraak moeilijk te volgen. Het
tribunaloverwoog onder meer:
Beschäftigungsvertrag» conclu avec la société …, il résulte cependant de ce contrat que le véritable exploitant du ... est cette dernière société, laquelle se voit mettre le bateau à disposition «
zur ausschliesslichen und uneingeschränkten Befrachtung und Disposition», la société ...devant par ailleurs s’occuper de l’utilisation commerciale du bateau («
Die Firma … wird für eine kontinuierliche Beschätigung des Tankschiffes Sorge tragen»), la société ...ne pouvant par ailleurs pas exiger de dédommagement au cas où elle ne trouverait pas suffisamment de clients afin de garantir une utilisation continuelle du bateau («
Forderungen aus der Nichtbeschäftigung des Schiffes wegen mangelnden Ladungsangebotes bestehen nicht»), de sorte qu’il en résulte que seule la société ...est responsable de la conclusion et de l’exécution des contrats de transport.
demanderesse(kennelijk de eigenaar van het schip) haar zaak verliest omdat de door haar als ‘exploitant’ aangeduide Luxemburgse vennootschap volgens het
Tribunalgeen exploitant van schepen is.
6.Behandeling van de middelen
Middel (i): binding aan de E101-verklaring op grond van ander recht dan Vo. 1408/71?
Xuit de zaak
X en Van Dijk(zie 2.14-2.15). Uit het HvJ EU-arrest in die zaak volgt dat de inspecteur niet op grond van Vo. 1401/81 gebonden is aan de E101-verklaring die Luxemburg aan de belanghebbende heeft afgegeven, onder meer omdat die verklaring volgens Luxemburg zelf niet verstrekt is in het kader van de toepassing van Vo. 1408/71, die immers niet van toepassing is op Rijnvarenden zoals de belanghebbende.
BNB2016/101 in de zaak
Van Dijk(zie 2.18) heeft u diens beroep op de Unietrouw verworpen op basis van een andere redenering: u overwoog kort en cryptisch dat ‘gelet op’ het antwoord van het HvJ EU dat beroep faalde. ‘s Hofs antwoord ging echter alleen over de uitleg van twee verordeningen, niet over de vraag wat art. 4(3) VEU al dan niet zou kunnen meebrengen, waarover u immers ook geen vragen had gesteld. Uw redenering was kennelijk dezelfde als thans voorgestaan door de Staatssecretaris: uit het gegeven dat het Hof de E101-verklaring niet bindend acht, volgt impliciet dat die verklaring dus ook niet bindt op enige andere EU-rechtelijke grond zoals het beginsel van Unietrouw.
ratio decidendivan zijn arrest worden opgemaakt. Wat daarvan zij, uw benadering leidt tot hetzelfde resultaat als die in 6.2.
tribunal administratifaanwijzingsverklaringen heeft afgegeven die niet stroken met het exclusief toepasselijke Rijnvarendenverdrag.
Banks e.a.kan hem dus evenmin baten omdat in die zaak het Rijnvarendenverdrag niet van toepassing was en het EU-recht (dus) wel.
anderdan EU-recht rechtsgevolgen heeft, zoals nationaal recht of Rijnvarendenverdragsrecht. Hij zegt slechts dat hij
nietzegt dat het EU-recht elke, ook nationaalrechtelijke betekenis aan de verklaring ontzegt.
Sony Supply Chain(zie 5.5) blijkt dat een bti die niet bindt ten gunste van een niet-geadresseerde, wel degelijk als bewijsstuk kan dienen in een geschil over douanetariefindeling van goederen ingevoerd door die niet-geadresseerde. Uw arresten HR
BNB2012/56 (zie 5.6) en HR
BNB2013/257 (zie 5.7) lijken mij in dat opzicht te ongenuanceerd: het E101-formulier kan wel een rol spelen als bewijs, bijvoorbeeld voor de stelling dat [B] de exploitant van het schip is. Bij betwisting door de Inspecteur zal de bewijslast echter terugkeren bij de belanghebbende.
BNB2014/264 (zie 5.8 hierboven). Het Hof Den Bosch heeft vervolgens geoordeeld dat de belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat [B] de exploitant van het schip is (r.o. 4.8). Dat oordeel geeft mijns inziens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voor het overige feitelijk en geenszins onbegrijpelijk. Aan [B] is weliswaar een Luxemburgs
certificat d’exploitationafgegeven ter zake van het schip, maar (i) dat certificaat is kennelijk weer ingetrokken, (ii) het Hof Den Bosch heeft feitelijk vastgesteld dat het onjuist was, (iii) de belanghebbende kan er mijns inziens geen vertrouwen aan ontlenen omdat het niet aan hem is afgegeven, althans niet jegens hem rechtens relevant vertrouwen wekt dat [B] de exploitant is (u zie de bti-arresten
Intermodal Transporten
Sony Supply Chainvan het HvJ EU in 5.4-5.5) en (iv) (ook) het Luxemburgse
tribunal administratifheeft kennelijk op 16 juni 2010 geoordeeld (zie 5.12) dat [B] niet de exploitant is.
contra tractatus.
Fitzwilliam- en
A-Flussschiff-rechtspraak van het HvJ EU wél van toepassing zouden zijn, het waren niet de Nederlandse autoriteiten. Mogelijk waren het degenen die de verklaringen bij de Luxemburgse autoriteiten hebben aangevraagd en daarbij kennelijk verklaarden, niet dat het hen ging om Luxemburgse stelselaanwijzing onder het Rijnvarendenverdrag, maar dat het zou gaan om het voorkomen dat schepen zouden worden stilgelegd door andere lidstaten wegens verdenking van zwartwerken. [31] Ook overigens zouden EU-rechtelijke beginselen geen soelaas bieden, nu het HvJ EU immers aanzienlijk minder ver gaat in het honoreren van vertrouwen
contra legemdan de Nederlandse belastingrechter, zeker als het gaat om vertrouwen
contraEU-recht gewekt door nationale autoriteiten. [32]
Union des caisses de Maladie Luxembourgis de lokaal bevoegde autoriteit die aan de belanghebbende of diens werkgever de onjuiste verklaring heeft afgegeven. Het Hof Den Bosch heeft aannemelijk geacht dat de belanghebbende te goeder trouw is afgegaan op die verklaring. De Nederlandse rechter kan echter naar Nederlands recht geen beroep honoreren op vertrouwen gewekt door een
contra tractatusverklaring van een niet-Nederlandse en daarmee in Nederland onbevoegde autoriteit. Aan Nederland kan geen schijn van jegens de belanghebbende gewekt vertrouwen toegerekend worden dat Luxemburg Nederland zou kunnen vertegenwoordigen of dat de belanghebbende in de geschilperiode niet in Nederland maar in Luxemburg verzekerd zou zijn. Belanghebbendes beroep op het rechtszekerheidsbeginsel gaat mijns inziens om dezelfde redenen jegens Nederland niet op. Zijn stelling dat Luxemburg de aldaar betaalde premies niet terugbetaalt omdat [B] failliet is en zijn vordering is verjaard, is mijns inziens een ontoelaatbaar novum in cassatie, maar wijst bovendien, indien juist, niet op een omstandigheid waarvoor Nederland verantwoordelijk gehouden kan worden. Mogelijk kan de belanghebbende zich tot Luxemburg wenden of tot de initiatoren, bedenkers of voordeeltrekkers van de uitzendconstructie.