ECLI:NL:PHR:2013:CA2814
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid inlener personeel voor onbetaalde belastingen van ontbonden uitlener
Belanghebbende is door de ontvanger aansprakelijk gesteld als inlener van personeel en op grond van ketenaansprakelijkheid voor onbetaalde naheffingsaanslagen loonbelasting, premie volksverzekeringen en omzetbelasting van een ontbonden B.V. uitlener over de jaren 2000 en 2001. De uitlener was ten tijde van de oplegging van de naheffingsaanslagen reeds ontbonden. Belanghebbende kwam in cassatie tegen het oordeel van het Hof dat de aansprakelijkstelling terecht en tot het juiste bedrag was vastgesteld.
De Hoge Raad overwoog dat cassatie slechts kan slagen indien eerdere motivering onmogelijk een feitelijk oordeel kan dragen. Het Hof had geoordeeld dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat bepaalde stukken, zoals het invorderingsdossier, bestonden. Ook was vastgesteld dat de uitlener in gebreke was met betaling van belastingschulden en dat belanghebbende wetenschap had van het onbetaald blijven van omzetbelasting. De bewijslastverdeling was juist toegepast, waarbij belanghebbende aannemelijk moest maken dat de berekeningswijze onjuist was.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de aansprakelijkheid voor de omzetbelasting niet in strijd is met EU-recht, in het bijzonder artikel 21, derde lid, van de Zesde Richtlijn. Het lange treuzelen van de ontvanger had geen gevolgen voor de beschikking aansprakelijkstelling. De uitwinning van het WKA-tegoed van de uitlener was niet onrechtmatig. Belanghebbende had onvoldoende feiten gesteld om te concluderen dat de beschikking aansprakelijkstelling lager zou moeten zijn.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was dat het cassatieberoep ongegrond moet worden verklaard. De Hoge Raad volgde dit advies en bevestigde het oordeel van het Hof dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de belastingschulden van de ontbonden uitlener.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld.