Uitspraak
V.o.f. [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 11 mei 2012, nr. BK-10/00394, betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.
Hoge Raad
Belanghebbende exploiteerde een agrarisch bedrijf en maakte gebruik van arbeidskrachten van een vennootschap die ambtshalve was ontbonden wegens gebrek aan baten. De vennootschap liet naheffingsaanslagen in loonbelasting, premies volksverzekeringen en omzetbelasting onbetaald, waarvoor belanghebbende aansprakelijk werd gesteld.
De Ontvanger berekende de loonbelasting en premies op basis van een brutering van het nettoloon, rekening houdend met de Ziekenfondswet. Belanghebbende voerde onder meer aan dat lagere bruteringspercentages moesten worden toegepast en dat de aansprakelijkstelling in strijd was met Europese richtlijnen en het EVRM.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de stukken die belanghebbende wilde inzien niet bestonden of niet relevant waren, dat de bewijslastverdeling juist was en dat de aansprakelijkstelling niet in strijd was met het Unierecht of het EVRM. Ook werd bevestigd dat de aansprakelijkstelling mogelijk is voor loonbelasting berekend met brutering en dat het WKA-tegoed niet tot vermindering van de aansprakelijkheid leidt.
Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aansprakelijkstelling bevestigd.