Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
grieven 1 tot en met 5, gericht tegen verschillende onderdelen van rechtsoverweging 4.4 van het bestreden vonnis, hebben de kennelijke strekking de vraag naar de aansprakelijkheid van de gemeente op grond van artikel 6:174 BW Pro in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen.
Onze opinie is, dat het vanuit verkeersoogpunt in principe gevaarlijk is om over grasbetonstenen heen te fietsen als zij (om wat voor reden ook) van de rijbaan willen uitwijken. Het is echter ook niet de bedoeling dat een fietser / wielrenner op de grasbetonstenen fietst."Niettegenstaande het feit dat grasbetonklinkers in beginsel een ongeschikte uitwijkmogelijkheid voor (race)fietsers bieden, is het hof echter van oordeel dat wanneer een (race)fietser - om wat voor reden dan ook - van het wegdek afraakt en noodgedwongen op de zich naast de rijbaan bevindende grasbetonklinkers terecht raakt, voor hem de mogelijkheid dient te bestaan op een veilige manier zijn weg te kunnen vervolgen. Als gevolg van de zich tussen de rijbaan en de grasbetonklinkers bevindende richel, werd de overgang tussen het wegdek en de bermverharding voor [betrokkene] bemoeilijkt. Voor zover de gemeente heeft gesteld dat voor de beoordeling van de vraag of de weg voldeed aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen, de strook grasbetonklinkers in het geheel niet relevant is, wordt deze stelling door het hof dan ook niet onderschreven.
LJN:AA8364). Voorts dient in aanmerking te worden genomen de grootte van de kans op verwezenlijking van het aan de opstal verbonden gevaar, alsmede, zo kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid (Parl. Gesch. Boek 6, p. 756), de mogelijkheid en bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. Daarbij kan voor het geval de aansprakelijkheid op een overheidslichaam rust mede betekenis toekomen aan de hem toekomende beleidsvrijheid en ter beschikking staande financiële middelen (vgl. Parl. Gesch. Boek 6 p. 1394 met betrekking tot de eveneens op art. 6:174 BW Pro berustende aansprakelijkheid van een wegbeheerder). Vorenbedoelde gezichtspunten begrenzen de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW Pro; de wetgever heeft immers een te ruime aansprakelijkheid voor de bezitter willen voorkomen door bepaalde begrenzingen die in afdeling 6.3.1 BW aan aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad worden gesteld, ook te laten gelden voor de onderhavige aansprakelijkheid (vgl. Parl. Gesch. Boek 6 p. 1378-1379). Bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het derhalve aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkomen van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. (HR 17 december 2010,
LJN:BN6236).
"Royal HaskoningDHV heeft onderzocht of er richtlijnen van toepassing zijn op de aansluiting van grasbetonstenen op de rijbaan. In richtlijnen die hier iets van zeggen, zoals de CROW met betrekking tot onderhoud of met betrekking tot de inrichting van de weg, is niet vastgesteld dat een richel van 3 - 5 cm tussen rijbaan en grasbetonstenen niet is toegestaan en gedicht zou moeten worden. Hoewel het in principe dus wel gevaarlijk is als een fietser in deze richel terechtkomt, bestaan er geen regels, die het bestaan van een zodanige richel verbieden en die een wegbeheerder opdragen zo'n richel te herstellen."
zesde griefbetreft ten dele een veeggrief die de kennelijke strekking heeft om het gehele geschil aan het hof voor te leggen. Deze grief ontbeert zelfstandige betekenis en behoeft geen verdere bespreking. Voor zover de grief zich richt tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, kan de grief evenmin slagen, nu de overige grieven van Reaal blijkens het vorenstaande geen doel treffen.”
3.Inleiding
geen aansprakelijkheidvan de gemeente in het leven roept. Dat onderstreept dat het aankomt op een beoordeling en afweging van alle relevante omstandigheden.
schadevergoeding; [7] niet geheel onbegrijpelijk trouwens in een setting waarin de rijke landen niet serieus willen praten over drastische beperking van de uitstoot van CO2. Maar dat de rijke landen klaarblijkelijk wél mee willen denken over schadevergoeding voor uitstoot in het verleden is een héél zorgelijke ontwikkeling. Het zet de deur open om ook op andere terreinen de geschiedenis te gaan herschrijven. Dat wordt allicht kostbaar. En de rekening zal moeten worden vereffend door degenen die de problemen niet hebben veroorzaakt.
Veronderstellenderwijsaannemend dat ook de gemeente aansprakelijk zou zijn in de relatie met het slachtoffer, zal moeten worden bepaald welk deel van de schade door de WAM-verzekeraar en welk deel door de gemeente moet worden betaald. Omdat art. 6:102 lid 1 BW Pro doorverwijst naar de maatstaf van art. 6:101 lid 1 BW Pro komt het dan in de eerste plaats aan op de onderlinge causaliteit. Ik wil daarop niet verder ingaan. Voor deze zaak is m.i. duidelijk dat in elk geval een niet onbelangrijk deel van de schade is veroorzaakt door de verzekerde van Reaal zodat de WAM-verzekeraar sowieso een niet onbelangrijk deel van de schade voor eigen rekening zal moeten houden.
maatschappelijkeen persoonlijke
belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken” (cursiveringen toegevoegd).
niettevens een aansprakelijk motorvoertuig bij het ongeval is betrokken.
4.De grondslag van de vordering en het verweer van de gemeente
5.Wat cijfermateriaal
6.Behandeling van het cassatiemiddel
onderdeel aklaagt Reaal – kort gezegd – dat het Hof te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht. Volgens Reaal kan niet de eis worden gesteld dat de partij die zich op een gebrek in de zin van art. 6:174 BW Pro beroept, stellingen aanvoert met betrekking tot alle factoren die blijkens de rechtspraak in dat kader van belang kunnen zijn, nu het slechts gezichtspunten betreft en niet cumulatieve vereisten voor toepasselijkheid van voornoemd artikel.
allefactoren die blijkens de rechtspraak in dat kader van belang kunnen zijn. Het Hof heeft slechts geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of de Biesterveldsweg gebrekkig was, betekenis toekomt aan alle daarvoor in rov. 6.5 genoemde factoren en dat Reaal daaraan onvoldoende invulling heeft gegeven. Het wijst erop dat Reaal,
mede gelet op het door de gemeente gevoerde verweer en het ontbreken van concrete normen op dit punt, heeft nagelaten voldoende onderbouwd te stellen dat – mede rekening houdende met de concrete kans op verwezenlijking van het gevaar, het te verwachten gebruik van de berm, de mogelijkheid van en de in redelijkheid te vergen veiligheidsmaatregelen – onder de gegeven omstandigheden van de gemeente kon worden gevergd dat zij de onder haar beheer staande wegen zodanig onderhoudt dat richels als de onderhavige telkens worden opgevuld. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Noch ook heeft het Hof aldus te hoge eisen gesteld aan de op Reaal rustende stelplicht. Zoals hiervoor al werd uiteengezet, kan de vraag of de litigieuze weg – kort gezegd – gebrekkig was niet in het goeddeels luchtledige worden beoordeeld.
in casu“gebrekkig” was. Geen van de onder 6.4.1 weergegeven stellingen van Reaal behelst daaromtrent ook maar iets nuttigs (dat wil zeggen: de posita hebben handen noch voeten). Het is dan ook allerminst verrassend, niet onbegrijpelijk en evenmin onjuist dat het Hof deze stellingen onvoldoende heeft geacht. Daarmee heeft het Hof de weinig zeggende stellingen ii-v genoegzaam afgehandeld. In dat kader wijs ik er, nogmaals, op dat het Hof ook het verweer van de gemeente in zijn oordeel heeft betrokken. Op zich en a fortiori gelet op dat (ik erken: ook niet erg uitgewerkte) verweer kon Reaal niet volstaan met de hiervoor besproken stellingen.
allerelevante aspecten iets concreets behoeft te zeggen. Maar in deze zaak heeft Reaal, behalve de door het Hof nadrukkelijk besproken richel, niets naar voren gebracht wat voldoende houvast bood. Hetgeen zij te berde heeft gebracht is, naar ik met het Hof meen, te weinig.
onderdeel bkomt Reaal op tegen ’s Hofs oordeel dat zij heeft nagelaten voldoende onderbouwd te stellen “dat, mede rekening houdende met de concrete kans op verwezenlijking van het gevaar, het te verwachten gebruik van de berm, de mogelijkheid van en de in redelijkheid te vergen veiligheidsmaatregelen, onder de gegeven omstandigheden van de gemeente kon worden gevergd dat zij de onder haar beheer staande wegen zodanig onderhoudt dat richels als de onderhavige telkens worden opgevuld”. Volgens Reaal heeft het Hof miskend dat het erom gaat of de Biesterveldsweg, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op het voorkomen van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is. Daarbij is weliswaar mede van belang welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs van de wegbeheerder te vergen zijn, maar dit betreft slechts één van de relevante factoren en niet – zoals het Hof klaarblijkelijk tot uitgangspunt heeft genomen – de beslissende of centraal staande omstandigheid bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een gebrek in de weg. Volgens Reaal zijn haar eerder weergegeven stellingen in dit verband voldoende.
enkele mogelijkheidvan een ongeval in beginsel voldoende is voor aansprakelijkheid. Ik leid dat af uit de niet geheel duidelijke voorlaatste volzin. Voor zover het onderdeel zo moet worden begrepen, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Het betoog is immers niet te verzoenen met het in rov. 6.5 geschetste juridisch kader dat in cassatie uitgangspunt moet zijn nu daartegen geen klacht is gericht.
in het algemeende stelplicht en bewijslast rust van de financiële gevolgen van een bepaald volgens de eisende partij nodig geacht handelen. Dat geldt eens te meer nu de vraag welke kosten, gelet op de financiële armslag van het betrokken overheidslichaam, redelijkerwijs nog aanvaardbaar zijn niet geïsoleerd kan worden bezien. Het antwoord hangt immers af van hetgeen omtrent de overige relevante omstandigheden, zoals de kans op ongevallen en de mogelijke gevolgen daarvan, is komen vast te staan. Daaromtrent is, zoals we hebben gezien, bitter weinig aagevoerd. Daarom kon het Hof redelijkerwijs volstaan met hetgeen in rov. 6.6 wordt overwogen.
zinvolverweer te kunnen voeren. De door Reaal gevoerde stellingen boden de gemeente in casu in ’s Hofs alleszins begrijpelijke visie niet voldoende houvast. M.i. springt immers in het oog dat de redelijkerwijs van een overheidslichaam te vergen kosten niet los kunnen worden gezien van onder meer de kans op ongevallen en de aard en ernst van de schade als deze zich verwezenlijken. Bij een minimale kans en hooguit bagatelschade zal doorgaans heel weinig kunnen worden gevergd en bij een grote kans en aanzienlijke schade in beginsel veel meer. Het partijdebat werpt evenwel geen licht op de vraag waar we in deze zaak op de kans- en ernstschaal zitten. In een dergelijke setting is nauwelijks zinvol om veel van de gedaagde te vergen; ook niet welk gewicht toekomt aan de financiële armslag van het betrokken overheidslichaam. Wat moet hij immers aanvoeren?
Onderdeel dvuurt een aantal klachten af en wel de volgende: