Conclusie
eerste middelklaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat sprake is van schending van het beginsel van zuiverheid van oogmerk en het verbod van détournement de pouvoir. Aangevoerd wordt in de eerste plaats dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat geen feiten en omstandigheden zijn gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de politie bij de beslissing om verdachte te onderwerpen aan een verkeerscontrole ex art. 160 WVW Pro 1994 uitsluitend de opsporing van strafbare feiten ten doel had. In de tweede plaats wordt betoogd dat het oordeel van het hof dat de verbalisanten de controlebevoegdheden in het kader van deze bepaling hebben toegepast, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
uitsluitendis gebruikt voor een ander doel - het verrichten van opsporingshandelingen - dan waarvoor deze is verleend. Volgens de Hoge Raad staat het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit er niet aan in de weg dat controlebevoegdheden worden uitgeoefend, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen. [2]
omdatdeze bevoegdheid is aangewend in het kader van een grootschalige actie tegen zware criminaliteit en naar aanleiding van opmerkelijk geachte feiten en omstandigheden. Die redenering gaat echter niet op. Volgens het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 21 november 2006 kan uit de omstandigheid dat de bevoegdheid is aangewend naar aanleiding van informatie die zou kunnen wijzen op betrokkenheid van de inzittenden van een voertuig bij een strafbaar feit, niet worden afgeleid dat die controlebevoegdheid
uitsluitendhiervoor is gebruikt.
tweede middelklaagt dat het hof het onder feit 2 bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als “witwassen”, althans dat het dit oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
derde middelklaagt over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Het cassatieberoep is ingesteld op 26 maart 2013 en de stukken van het geding zijn pas op 5 december 2013 door de Hoge Raad ontvangen.