Conclusie
2.Procesverloop
De beoordeling van de vordering” heeft het GEA overwogen waarom [verzoeker] naar zijn mening gehouden is rekening en verantwoording jegens de curator af te leggen. Die overweging is in hoger beroep niet gemotiveerd bestreden en het Hof verenigt zich met de inhoud ervan alsmede met de slotsom, te weten dat nu [verzoeker] beheer heeft gevoerd over het vermogen van Zalinco en Ocana, hij gehouden is rekening en verantwoording jegens de curator af te leggen. [verzoeker] verlangt klaarblijkelijk dat wordt vastgesteld welke wettelijke bepaling precies aan de hem opgelegde verplichting ten grondslag ligt. Gelet op grond hetgeen hiervoor onder 3 a t/m g is overwogen moet ermee rekening worden gehouden dat de vier kinderen van [betrokkene 6] overeenkomstig het door de zusters ingenomen standpunt voor gelijke delen aandeelhouder waren en dat zij thans, na de uitgesproken ontbinding der vennootschappen (3.g), voor gelijke delen gerechtigd zijn tot het uit geld en geldswaarden bestaande, te vereffenen vermogen. De curator die als vereffenaar zowel de belangen van de boedel als de gezamenlijke schuldeisers behartigt en vertegenwoordigt, heeft bij zijn vordering klaarblijkelijk aansluiting gezocht bij zowel de wettelijke regeling van titel 7 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Opdracht), als bij titel 7 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (Gemeenschap). In het bijzonder is van belang art. 3:173 BW Pro, welk artikel inhoudt dat ieder der deelgenoten van een gemeenschap van degene onder hen die voor de overigen beheer heeft gevoerd bij het einde daarvan rekening en verantwoording kan vorderen. Nu vaststaat dat de vennootschappen aan alle kinderen volmachten hebben verstrekt op grond waarvan zij beheer over bankrekeningen [van; A-G] Zalinco en Ocano hebben gevoerd of kunnen voeren, komt de vordering van de curator tegen de vier kinderen van [betrokkene 6] (waaronder [verzoeker]) tot het afleggen van rekening en verantwoording het Hof gerechtvaardigd voor. De grief wordt verworpen.”
zich niet heeft uitgelaten over de omstandigheid dat in 2002 uit het kantoor van appellant stukken zijn ontvreemd – die vervolgens in een eerdere Curaçaose procedure van de kant van de zusters van appellant werden ingebracht, en wel bij het hoger beroep tegen de uitspraken in kort geding …” (3 c t/m d). [verzoeker] wijst erop dat de curator uit die dossiers heeft geciteerd, uit welke omstandigheid hij – zo begrijpt het Hof – concludeert dat de curator “
zich dan ook niet op het standpunt (kan) stellen dat appellant(Hof: [verzoeker])
over meer stukken beschikt dan hij reeds in de Amerikaanse procedure heeft ingebracht”. [verzoeker] meent om die reden dat de curator “
geen rechtens te respecteren belang bij zijn vordering” heeft. Het Hof overweegt dat tegenover de betwisting van de gestelde diefstal bij gebreke van wetenschap door de curator, door [verzoeker] onvoldoende is aangevoerd om ervan uit te gaan dat de diefstal heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft de curator gesteld dat de bedoelde stukken die door de zusters in de procedure in de V.S. zijn overgelegd afkomstig waren van [betrokkene 1]. Wat daar verder ook van zij, uit het betoog van [verzoeker] op dit punt kan niet de conclusie worden getrokken dat de curator geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn vordering. De grief is daarom ongegrond.
naast de uitputtende behandeling van alle bijzonderheden van de zaak in de Amerikaanse procedure". Daarnaast stelt hij zelf de enige belanghebbende bij het afleggen van rekening en verantwoording te zijn en dat "
een eventueel batig saldo van Zalinco en Ocana" dan ook alleen hem toekomt. Volgens de grief is het GEA aan het voorgaande ten onrechte voorbij gegaan. De grief is ongegrond. In de V.S. (Houston, Texas) wordt een procedure gevoerd tussen de zusters en [verzoeker] over de vraag wie van hen de rechthebbenden is/zijn op het eertijds in Zalinco en Ocana ondergebrachte vermogen (prod. 2 verweerschrift tot verzet ex art. 86 Rv Pro). De onderwerpelijke procedure vloeit voort uit de hiervoor onder 3.g vermelde beschikking van 12 april 2007 waarbij de vennootschappen Zalinco en Ocana zijn ontbonden en mr. R.E. Blaauw tot curator werd benoemd. Weliswaar suggereert [verzoeker] dat de curator gemene zaak maakt met de zusters, maar die klacht komt het Hof ongegrond voor. Alleen [verzoeker] verzet zich tegen de vordering tot het afleggen van rekening en verantwoording. De tegen de overige kinderen ingestelde vordering is bij verstek toegewezen en zij hebben zich voor zover het Hof bekend is bij die uitspraak neergelegd. Dat de belangen van de zusters en de curator gedeeltelijk samenvallen kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat er sprake is van een onoorbare samenwerking of partijdigheid. De stelling dat alleen
[verzoeker]rechthebbende is op het eertijds in Zalinco en Ocana ondergebrachte vermogen kan hier niet worden onderschreven, reeds omdat daarover klaarblijkelijk nog in de V.S. nog wordt geprocedeerd.”
3.Bespreking van het middel
subonderdeel I.1is miskend dat het voor het ontstaan van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording (i) niet voldoende is dat iemand (door middel van een volmacht) beheer voert over bankrekeningen van en/of het vermogen van een ander en/of (ii) vereist is dat een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.
subonderdelen I.2 en I.3wijzen in dit verband op een aantal door [verzoeker] gestelde omstandigheden over de verhouding tussen hem en (het bestuur van) de onderhavige vennootschappen, die zouden meebrengen dat een dergelijke rechtsverhouding niet bestaat en waarop het hof niet is ingegaan. Het betreft de stellingen dat de vennootschappen nooit om rekening en verantwoording hebben gevraagd (subonderdeel I.2) en dat de door deze ‘dormant offshore’ vennootschappen verstrekte algemene volmachten een dergelijke rechtsverhouding niet impliceren (subonderdeel I.3).
subonderdelen I.4 en 1.5bestrijden dat het Hof aansluiting kon zoeken bij de regelingen van opdracht en gemeenschap. Tussen [verzoeker] en de vennootschappen of de curator is er geen opdrachtovereenkomst of gemeenschap. Een gemeenschap tussen [verzoeker] en de zusters kan hoogstens een verplichting jegens de zusters betekenen, maar niet jegens de vennootschappen of de curator (subonderdeel I.4). Gezien het partijdebat mocht het hof overigens geen aansluiting zoeken bij de gemeenschap (subonderdeel I.5).
Subonderdeel I.1 sub (ii)faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel I.1 sub (i)betoogt dat voor het aannemen van een plicht tot het doen van rekening en verantwoording niet voldoende is dat iemand (door middel van een volmacht) beheer voert over bankrekeningen van en/of het vermogen van een ander, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals hierboven bleek, kan dat onder omstandigheden wel degelijk het geval zijn.
‘principal/aandeelhouder’ en de ‘dormant offshore’ vennootschappen.
subonderdelen I.4 en I.5stuiten hierop af.
subonderdelen I.2 en I.3bedoelde stellingen. Deze subonderdelen falen daarom.
subonderdelen II.1 en II.2dat het hof de strekking van grief 3 heeft miskend. Subonderdeel II.2 betoogt in het bijzonder dat [verzoeker] wel heeft bestreden dat hij beheer heeft gevoerd over het vermogen van de vennootschappen.
subonderdeel II.3is overigens irrelevant of [verzoeker] een en ander in hoger beroep heeft bestreden. Hij heeft dit gedaan in eerste aanleg en het hof had daaraan ambtshalve aandacht moeten besteden.
subonderdelen II.1 en II.2keren zich vergeefs tegen een aan het Hof voorbehouden lezing van de procestukken die niet onbegrijpelijk is. Zij falen overigens in het voetspoor van de subonderdelen I.2 en I.3 voor zover zij daarop voortbouwen.
Subonderdeel II.3moet om deze redenen falen.
allebescheiden waarover hij beschikt reeds aan curator Blaauw ter beschikking gesteld, en zijn derhalve in zijn bezit. Appellant heeft niet meer stukken dan waarover curator Blaauw al lang de beschikking heeft. Daarmee komt appellant toe aan
Grief 4tegen het Vonnis. Het Gerecht in Eerste Aanleg is niet ingegaan op het feit dat appellant in de Amerikaanse procedure reeds alle hem ter beschikking staande stukken ter beschikking heeft gesteld en een daarbij behorende toelichting heeft gegeven.
Productie 12). De analyse van deze Warren W. Cole kent overigens fundamentele tekortkomingen, blijkt uit de contra-expertise van accountant Walter Bratic van het bureau Overmont Consulting (
Productie 13). De belangrijkste tekortkoming is dat Cole heeft verzuimd om te onderzoeken welke geldstromen Ocana en Zalinco binnenkwamen, en zich enkel heeft gericht op de uitgaande geldstromen. Dat Cole een slordig rapport heeft afgeleverd door een belangrijk deel van de beschikbare informatie te negeren, is in deze voornamelijk de zaak van geïntimeerde. Voor appellant is van belang dat hieruit eens te meer blijkt dat alle relevante informatie die curator Blaauw zich mocht wensen voorhanden is. Welk recht en welk belang heeft curator Blaauw erbij om appellant nog een keer deze hele verantwoordingsexercitie te laten doen, nu alle relevante informatie voor hem reeds beschikbaar is? Dat levert schending op van het
ne bis in idem-beginsel en misbruik van recht op. Curator Blaauw behoort op die grond niet-ontvankelijk te worden verklaard dan wel dient hem zijn vordering te worden ontzegd.”
onderdeel IIIstuk.
Subonderdeel IV.1klaagt in de kern dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom een dwangsom tot naleving van een veroordeling tot het afleggen van rekening en verantwoording door [verzoeker] aan de curator, welke dwangsom slechts tot doel heeft om een prikkel tot nakoming van deze verplichting te zijn, in verhouding zou dienen te staan tot de omvang van de transacties die door [verzoeker] beweerdelijk zijn uitgevoerd waarover de curator rekening en verantwoording vraagt. Indien en voor zover het Hof gedoeld heeft op enig ander belang dat met nakoming van de vordering gemoeid is, is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu in dat geval zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is waaruit een dergelijk belang zou bestaan.
subonderdeel IV.2is het hof ongemotiveerd voorbij gegaan aan de essentiële stellingen van [verzoeker] dat - kort samengevat - (i) de dwangsom excessief is; (ii) de vordering dermate ongespecificeerd is dat de curator zich in een groot aantal gevallen op niet-nakoming door [verzoeker] zou kunnen beroepen; (iii) [verzoeker] zich nooit heeft verzet tegen het afleggen van rekening en verantwoording op zich en zelfs honderden pagina's aan verklaringen heeft afgelegd in het kader van de Amerikaanse procedure; en (iv) het feit dat [verzoeker] zich verzet tegen de vordering niet betekent dat hij niet zou conformeren aan een rechterlijk vonnis.