Conclusie
1.Inleiding, feiten en procesverloop
- dat bij de overeenkomst geen sprake was van een garantie dat schone grond zou worden geleverd, althans grond die geschikt was voor latere stadsvernieuwing (rov. 3.7);
- dat partijen als deskundig hadden te gelden met betrekking tot de mogelijke bodemverontreiniging, de Gemeente wist of behoorde te weten hoe het complex de afgelopen eeuwen was gebruikt, niet is gebleken dat [verweerster] wist van bovenmatige verontreiniging (meer dan op grond van de historie mocht worden verwacht), [verweerster] geen mededelingsplicht had geschonden, alleen bovenmatige verontreiniging zou kunnen leiden tot een succesvol beroep op wanprestatie of geborgen verbreken, maar dat daartoe onvoldoende was gesteld en gebleken (rov. 3.8-3.16);
- dat het oordeel van de rechtbank juist was dat met de afspraak over verborgen gebreken bedoeld was aansprakelijkheid van [verweerster] voor bodemverontreiniging uitputtend te regelen, zodat beroep op onrechtmatige daad met betrekking tot het [verweerster]-complex is uitgesloten (rov. 3.18);
- dat het beroep op dwaling door de Gemeente moet worden afgewezen (rov. 3.19);
- [verweerster] (ook) niet aansprakelijk is voor de gevolgen van asbestvervuiling van het complex (rov. 3.20).
als overheidonrechtmatig heeft gehandeld. De vordering van de gemeente berust op de stelling dat [verweerster] aansprakelijk is op grond van onrechtmatig handelen jegens de gemeente
als eigenaarvan de omliggende grond. Niet valt in te zien dat de Gemeente als eigenaar van de omliggende terreinen kosten heeft gemaakt of dient te maken voor onderzoek en sanering van die terreinen, zodat evenmin valt in te zien dat de Gemeente in die hoedanigheid ter zake enige schade lijdt of zal lijden. Voor zover de gemeente schade lijdt als eigenaar van het [verweerster]-terrein, stuit aansprakelijkheid van [verweerster] voor die schade af op het exoneratiebeding in de koopovereenkomst tussen [verweerster] en de gemeente (zie rov. 3.18 van het eerste tussenarrest).
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
jegens de overheid onrechtmatigheeft gehandeld door de vervuiling te veroorzaken omdat hij daarmee de overheid, die zich het
saneringsbelangheeft aangetrokken, op kosten van onderzoek en sanering jaagt. Dat saneringsbelang van de overheid bestaat ongeacht wie de eigenaar van de te saneren grond is: de vervuiler zelf of een andere partij. Naar uit de rechtspraak van Uw Raad (reeds aangaande de Interimwet Bodemsanering) volgt, is in beginsel geen sprake van aantasting van het hier bedoelde saneringsbelang van de overheid bij verontreiniging die zijn veroorzaakt voor 1 januari 1975. [14]
saneringsbelang(2.7.3) is aangetast, en
eigenaarsbelangis aangetast.
Nietvalt in te zien dat de Gemeente
als eigenaarvan de omliggende terreinen
kostenheeft gemaakt of dient te maken
voor onderzoek en saneringvan die terreinen, zodat
evenminvalt in te zien dat de Gemeente
in die hoedanigheid ter zake enige schade lijdtof zal lijden” [onderstreping toegevoegd, A-G] [23]
saneerten dus kosten maakt en schade lijdt als overheid dan wel als eigenaar, maar of de Gemeente
ageertals overheid dan wel als eigenaar.
ageerten de schade die wordt gevorderd.
begroting. Ik meen (met de Gemeente, repliek nrs. 1-3) dat niet kan niet worden gezegd dat het hof de schade meteen heeft
begrooten daarom niet meer aan een verwijzing naar de schadestaat toekwam.
subonderdeel 2.2bestrijdt naar mijn mening terecht dat het hof een onderscheid kon maken tussen kosten die Gemeente maakt respectievelijk schade die de Gemeente lijdt in hoedanigheid van (sanerende) overheid en in hoedanigheid van (sanerende) eigenaar, waar het aanvoert dat het in rov. 2.10 aangehaalde betoog van de Gemeente – waarmee wordt gedoeld op het betoog in de MvG p. 39 − slechts ziet op de vraag in welke hoedanigheid de Gemeente de bedoelde kosten vordert.
subonderdeel 2.3, dat er slechts toe dient deze beslissing te lokaliseren in rov. 2.3 en 2.9.
subonderdeel 2.6bedoelde verschil (wat daar verder van zij) tussen kostenverhaal op de voet van art. 75 Wbb Pro van de kosten van een ‘sobere’ sanering en kostenverhaal door de eigenaar op de voet van art. 6:162 BW Pro van de kosten van een ‘verdergaande’ sanering.
subonderdeel 1.1aanvoert. Weliswaar brengt de formulering van rov. 2.10 van het eindarrest niet met zoveel woorden tot uitdrukking dat, indien wordt vastgesteld dat onrechtmatig is gehandeld, voor toelating tot de schadestaatprocedure volstaat dat de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk wordt gemaakt, [28] maar uit de overweging blijkt overigens niet dat het hof een andere dan de juiste mnaatstaf voor ogen heeft gestaan.
subonderdeel 1.2aanvoert − dat de Gemeente (als eigenaar) in de schadestaatprocedure ook andere uit de bodemverontreiniging voortvloeiende schadeposten kan vorderen dan kosten van onderzoek en sanering, zoals waardevermindering of het risico dat de Gemeente wordt aangesproken door derden van naburige terreinen die zijn/worden verontreinigd. [29] Het hof meende dat dit in het onderhavgie geval niet meer aan de orde zou kunnen komen, omdat de Gemeente naar zijn kennelijke oordeel haar vordering uitdrukkelijk had beperkt tot de voornoemde kosten van onderzoek en sanering, op te maken bij staat (zie hierover verder de bespreking van subonderdeel 1.4). [30] Om deze reden kan evenmin worden aangenomen dat door het hof is miskend dat, wanneer vaststaat dat sprake is van (onrechtmatige) bodemverontreiniging, in beginsel de mogelijkheid aannemelijk is dat de eigenaar van de naastgelegen percelen enige schade heeft geleden (anders dan
subonderdeel 1.3aanvoert).
3.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
klachten II t/m IVwijst het middel zelf ook al op deze mogelijkheid, maar worden klachten geformuleerd tegen het oordeel voor het geval het hof om een andere reden de verweren niet heeft behandeld of (impliciet) verworpen. Deze klachten falen dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.