ECLI:NL:PHR:2014:1883

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 september 2014
Publicatiedatum
28 oktober 2014
Zaaknummer
13/03355
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 lid 2 SrArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep op noodweerexces bij overschrijding noodzakelijke verdediging

In deze zaak stond centraal of verdachte zich kon beroepen op noodweerexces nadat hij geweld gebruikte tegen een tegenstander die al weerloos op de grond lag. De rechtbank en het hof oordeelden dat verdachte doelbewust en weloverwogen handelde en niet onder invloed was van een hevige gemoedsbeweging zoals vereist voor noodweerexces.

De rechtbank stelde vast dat verdachte tegen het hoofd schopte en op de buik sprong van de weerloze tegenstander, terwijl de dreiging al was beëindigd. Verdachte verklaarde dat hij wilde laten zien dat er niet met hem te sollen viel, wat het oordeel ondersteunde dat het geweld niet uit een hevige gemoedsbeweging voortkwam. Het hof bevestigde dit oordeel en vond het niet onbegrijpelijk.

De Hoge Raad concludeerde dat het hof de beoordeling van de feiten en de motivering van het oordeel over noodweerexces niet onbegrijpelijk had gemaakt. Het beroep op noodweerexces faalde en werd verworpen. De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging van het bestreden arrest.

Uitkomst: Het beroep op noodweerexces wordt verworpen omdat verdachte doelbewust en weloverwogen handelde zonder hevige gemoedsbeweging.

Conclusie

Nr. 13/03355
Zitting: 2 september 2014
Mr. T.N.B.M. Spronken
Nadere conclusie inzake:
[verdachte]
Op 20 mei 2014 heb ik een conclusie genomen in deze zaak waarin ik concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest omdat naar mijn oordeel het eerste onderdeel van het voorgestelde middel doel trof. Op 8 juli 2014 heeft de Hoge Raad echter beslist dat deze klacht faalt en is de zaak naar de rolzitting verwezen zodat ik mij kan uitlaten over de eerder niet besproken tweede klacht van het voorgestelde middel.
De
tweede klachthoudt in dat het hof het beroep op noodweerexces onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. De overweging van de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van [een] noodweerexcessituatie ‘veroorzaakt door de direct daaraan voorafgaande aanval’ zou onbegrijpelijk zijn ‘nu de rechtbank en het hof daarbij ten onrechte niet hebben betrokken de omstandigheid dat verdachte ook door [betrokkene 1] werd bedreigd en hij ook op de hoogte was van de kwalijke reputatie van [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Ook zou de overweging onbegrijpelijk zijn ‘in het licht van de omstandigheid dat de gebeurtenissen zich in een zeer snel tempo na elkaar hebben afgespeeld, terwijl vastgesteld is dat verdachte en zijn echtgenote door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] werden belaagd’.
Bij een beroep op noodweerexces geldt dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, of,
b. als op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a. bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, maar niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. [1]
4. In onderhavige zaak doet zich de situatie onder b. genoemd voor en is het criterium waaraan getoetst moet worden of de gedragingen van verdachte, nadat de noodweersituatie was beëindigd, het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door hetgeen zich daaraan voorafgaand heeft afgespeeld.
5. Met betrekking tot het beroep op noodweerexces heeft de rechtbank in haar door het hof bevestigde vonnis het volgende overwogen dat van belang is voor de beoordeling van de klacht:
‘Allereerst stelt de rechtbank vast dat verdachte [betrokkene 2] tegen het hoofd heeft geschopt toen hij al op de grond lag. De rechtbank heeft hierbij gelet op de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] die gezien hebben dat verdachte met zijn rechtervoet [betrokkene 2] tegen het hoofd schopte toen hij al op de grond lag, en op het bij het slachtoffer geconstateerde letsel aan het hoofd zoals blijkt uit de medische verklaring; zwelling aan de linker kaak, zwelling aan het linker jukbeen, een wond aan de linker wenkbrauw en blauwe oogkassen. Vast staat dat [betrokkene 2] op het moment waarop het vorenomschreven geweld op hem werd uitgeoefend geen enkele bedreiging (meer) vormde voor verdachte. Door de klap die verdachte uitdeelde kwam een einde aan de dreiging die van [betrokkene 2] naderende aanval uitging. Het schoppen tegen het hoofd van [betrokkene 2] en het springen op diens buik was derhalve niet (langer) geboden ter noodzakelijke verdediging. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van het springen op de buik van de weerloos op de grond liggende [betrokkene 2] en het schoppen tegen zijn hoofd, geen sprake is van noodweerexces. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte deze handelingen heeft verricht onder invloed van een hevige gemoedstoestand, veroorzaakt door de direct daaraan voorafgegane aanval. De rechtbank heeft daarbij onder meer acht geslagen op de eigen verklaring van verdachte die bij de politie heeft verklaard dat hij wilde laten zien dat er niet met hem te sollen viel. Ter zitting verklaarde verdachte dat hij wilde laten zien dat ze hem niet nog een keer moesten lastig vallen. Uit deze verklaringen leidt de rechtbank af da dat verdachte juist doelbewust en weloverwogen heeft gehandeld. Tegenover de verbalisanten die verdachte zeer kort na het gebeuren treffen verklaarde verdachte ook schijnbaar kalm over de vechtpartij waar hij kort daarvoor bij betrokken was geweest.’
6. Het hof heeft met de rechtbank aangenomen dat bij de verdachte geen sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in art. 41, tweede lid, Sr. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk gelet op de vaststellingen dat de verdachte ‘juist doelbewust en weloverwogen heeft gehandeld’ en ‘zeer kort’ na het gebeuren ‘schijnbaar kalm’ over de vechtpartij verklaarde. Verweven als dit oordeel is met waarderingen van feitelijke aard, kan het in cassatie niet verder worden getoetst.
7. De tweede klacht faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
8. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie voor een overigens zeer vergelijkbare casus: HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6794, rov. 3.3.