Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
8 juli 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een geweldsincident waarbij de verdachte het slachtoffer meerdere keren heeft geslagen en geschopt. De verdachte voerde onder meer noodweerexces aan.
De Hoge Raad beoordeelde onder andere de klacht dat het hof het slachtoffer ten onrechte niet als getuige heeft beëdigd. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat beëdiging niet vereist is bij vragen over de gevolgen van het strafbare feit voor het slachtoffer, maar wel bij vragen die samenhangen met de beantwoording van de artikelen 348 en 350 Sv. Het hof had de verklaring van het slachtoffer slechts gering gewicht toegekend, zodat de klacht onvoldoende belang had.
Ten aanzien van het beroep op noodweerexces verwees de Hoge Raad de zaak terug naar de rolzitting zodat de Advocaat-Generaal zich alsnog over deze klacht kan uitlaten. De rechtbank had het beroep op noodweer deels verworpen, waarbij het gebruik van geweld na het beëindigen van de dreiging niet als noodweerexces werd aangemerkt.
De zaak bevat uitgebreide verklaringen van verdachte, slachtoffer en getuigen over het incident en de gevolgen daarvan, waaronder ziekenhuisopname en blijvende klachten bij het slachtoffer. De Hoge Raad hield de verdere beslissing aan en verwees de zaak naar de rolzitting van 26 augustus 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor nadere behandeling van het beroep op noodweerexces.