ECLI:NL:PHR:2014:196
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek wijziging gezamenlijk ouderlijk gezag in eenhoofdig gezag na echtscheiding
De zaak betreft een verzoek van de moeder om het gezamenlijk ouderlijk gezag over drie kinderen na echtscheiding te wijzigen in eenhoofdig gezag. De ouders zijn in 2001 gehuwd en gescheiden in 2010. De moeder verzocht tevens om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar vast te stellen. De vader voerde verweer en vroeg om een zorgregeling met omgangsrecht.
De rechtbank wees het verzoek van de moeder af omdat niet werd voldaan aan het criterium van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders, zoals bedoeld in art. 1:251a BW. De rechtbank verbood de vader tijdelijk omgang vanwege de angst van de kinderen, maar stelde dat de moeder met hulpverlening moest werken aan herstel van contact.
Het hof bekrachtigde dit oordeel, ondanks de vrijspraak van de vader in een strafzaak over vermeend misbruik. Het hof stelde dat de communicatie tussen ouders weliswaar moeizaam was, maar dat afspraken over informatievoorziening mogelijk waren en dat het gezamenlijk gezag kon blijven voortbestaan.
De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van goede communicatie niet automatisch leidt tot eenhoofdig gezag en dat tijdelijke communicatieproblemen niet per definitie een onaanvaardbaar risico vormen. Het hof had het belang van de kinderen en de mogelijkheid tot verbetering van de situatie voldoende gemotiveerd. Het cassatieberoep van de moeder werd verworpen.
Uitkomst: Het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag wordt afgewezen en het gezamenlijk gezag blijft gehandhaafd.