Het Gerechtshof Amsterdam veroordeelde verdachte bij arrest van 11 maart 2013 voor afpersing gepleegd door meerdere personen en mishandeling van zijn moeder. De straf bestond uit 90 dagen jeugddetentie waarvan 55 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar onder toezicht van Bureau Jeugdzorg, en 140 uren werkstraf, subsidiair 70 dagen jeugddetentie. Tevens werd een schadevergoeding van €1.247,89 toegekend.
Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij twee middelen werden voorgesteld. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde het arrest. Ambtshalve nam de Hoge Raad in aanmerking dat verdachte ten tijde van de uitspraak in hoger beroep meerderjarig was, waardoor het Hof op grond van art. 77aa, vierde lid Sr slechts een reclasseringsinstelling als bedoeld in art. 14d, tweede lid Sr opdracht kon geven toezicht te houden en hulp te verlenen. De bijzondere voorwaarde werd dienovereenkomstig verbeterd gelezen.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht het verzoek van de verdediging tot het opnieuw horen van getuigen had afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden. De motivering van het Hof was begrijpelijk en niet onredelijk. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep en tot ambtshalve verbetering van de bijzondere voorwaarde betreffende het toezicht en de begeleiding door de Stichting Reclassering Nederland.