ECLI:NL:PHR:2014:2005

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 november 2014
Publicatiedatum
13 november 2014
Zaaknummer
14/04347
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 OwArt. 40 OwArt. 80a ROArt. 81 RO
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid en urgentie van vervroegde onteigening voor bestemmingsplan De Contreie

Deze zaak betreft een vordering van de gemeente tot vervroegde onteigening van percelen in Oosterhout ten behoeve van het bestemmingsplan “De Contreie”. Eiser heeft verweer gevoerd tegen de onteigening, met name over de onderhandelingsplicht en de rechtmatigheid van het onteigeningsbesluit.

De rechtbank heeft de vervroegde onteigening uitgesproken en het beroep van eiser werd in cassatie behandeld. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van eiser niet tot cassatie kunnen leiden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de gemeente voldoende serieus heeft geprobeerd om de grond in der minne te verkrijgen, zoals vereist in artikel 17 van Pro de Onteigeningswet.

Voorts is de marginale toetsing van de rechtmatigheid van het onteigenings-KB door de rechtbank correct toegepast. De Hoge Raad bevestigt dat de noodzaak en urgentie van de onteigening, ter realisatie van het bestemmingsplan, voldoende aannemelijk zijn gemaakt en dat een nieuwe beoordeling in cassatie niet aan de orde is.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee het vonnis van de rechtbank. De procedure toont het belang van een zorgvuldige onderhandelingsplicht en een beperkte toetsing van onteigeningsbesluiten door de rechter.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de vervroegde onteigening wordt bevestigd.

Conclusie

14/04347
mr. J.C. van Oven
7 november 2014
Standpunt inzake:
[eiser]
eiser tot cassatie
(mr. P.J.L.J. Duijsens)
tegen
de gemeente Oosterhout
verweerster in cassatie
niet verschenen.
1. Deze zaak betreft een vordering van verweerster in cassatie (hierna: de Gemeente) tot de vervroegde onteigening, ten behoeve van de realisatie van het bestemmingsplan “De Contreie” en het uitwerkingsplan “De Contreie uitwerkingsplan I”, van de percelen, kadastraal bekend gemeente Oosterhout, sectie [A], nummers [001] en [002] ter grootte van resp. 00.51.50 en 00.09.00 ha (grondplannummers 2 en 3). Bij Koninklijk Besluit van 16 oktober 2013, nr. 13.002141, zijn de percelen aangewezen ter onteigening. Eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) heeft tegen de onteigening verweer gevoerd. Bij vonnis van 2 juli 2014 heeft de rechtbank de gevorderde vervroegde onteigening uitgesproken. Bij akte houdende verklaring van cassatie van 16 juli 2014 heeft [eiser] tijdig tegen dit vonnis cassatieberoep ingesteld. De cassatieverklaring heeft hij bij exploot van 30 juli 2014 tijdig aan de Gemeente laten betekenen met dagvaarding in cassatie. De Gemeente is in cassatie, tot dusver, niet verschenen.
2. De aangevoerde klachten kunnen naar mijn mening geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
3. Het
eerste middelkomt met een reeks klachten op tegen de verwerping door de rechtbank van de verweren
(a)dat de Gemeente verzuimd heeft om, zoals art. 17 Ow Pro eist, te trachten het te onteigenen bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen (rov. 2.5.4) en
(b)dat het onteigenings-KB in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel tot stand is gekomen (rov. 2.5.3).
4. De klachten tegen de verwerping van
verweer (a)verlangen een nieuw oordeel over de vraag of de Gemeente, in de periode tussen (het definitief worden van) het onteigeningsbesluit en het uitbrengen van de dagvaarding tot onteigening, een serieuze poging tot minnelijke verwerving heeft ondernomen en daarbij niet te werk is gegaan alsof het voorschrift van art. 17 Ow Pro een te verwaarlozen formaliteit is (zie HR 8 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD2955, NJ 1999/24 met noot PCEvW). De rechtbank stelt in de eerste drie volzinnen van rov. 2.5.4, in cassatie terecht onbestreden, het juridische kader van de onderhandelingsplicht van art. 17 Ow Pro voorop. Voor het overige ligt de beantwoording van de vraag of voldoende serieus is onderhandeld bij uitstek op het terrein van de feitenrechter, zodat diens oordeel dienaangaande in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. [1] De rechtbank heeft voor haar bevestigende antwoord een motivering gegeven die zeer begrijpelijk is. De door de klachten aan de orde gestelde vraag of de aan [eiser] toe te kennen schadeloosstelling moet worden begroot op basis van liquidatie (uitgangspunt van de Gemeente bij de onderhandelingen) of bedrijfsverplaatsing (standpunt van [eiser] bij de onderhandelingen) behoefde de rechtbank niet te beantwoorden; dat is een vraag waarover zij zich te zijner tijd, bij de vaststelling van de schadeloosstelling na advies van de deskundigen, zal moeten buigen.
5. Ook de klachten tegen de verwerping van
verweer (b)zijn evident ongegrond. De onteigeningsrechter kan de rechtmatigheid van het onteigenings-KB toetsen, maar die toets is beperkt tot een marginale toetsing. Ik verwijs naar nr. 3.4 van mijn conclusie van 24 januari j.l. in de (door Uw Raad met toepassing van art 81 RO Pro afgedane) zaak Van Waes c.s./gemeente Terneuzen, (ECLI:NL:PHR:2014:29), een zaak waarin het eveneens mr. Duijsens was die voor de eiser(s) in cassatie opkwam. Rechtens correct is de overweging van de Kroon dat de hoogte en wijze van berekening van de schadeloosstelling in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet aan de Kroon ter beoordeling staat maar, ingevolge art. 40 Ow Pro, aan de onteigeningsrechter. De Kroon behoefde dus niet uit te maken of de vergoeding van de bedrijfsschade zal moeten worden berekend op basis van liquidatie of op basis van verplaatsing, teneinde aan de hand daarvan te beoordelen of de Gemeente voldoende serieus geprobeerd heeft de te onteigenen gronden in der minne te verkrijgen. Het onderdeel verlangt ook hier niet minder dan een complete feitelijke herbeoordeling van de vraag of de Gemeente voorafgaand aan de administratieve onteigeningsprocedure voldoende serieus heeft onderhandeld.
6. Het
tweede middelbetreft het debat over de vraag naar de noodzaak van de onteigening in verband met de urgentie van de realisering van het bestemmingsplan ter plaatse van het onteigende. De Kroon heeft zich in het onteigeningsbesluit van 16 oktober 2013 uitgelaten over de door [eiser] naar voren gebrachte zienswijze dat de onteigening prematuur is omdat op de te onteigenen percelen geen woningen maar openbare groenvoorzieningen zullen worden gerealiseerd die volgens [eiser] pas in de verre toekomst zullen worden ontwikkeld als de woningen zullen worden uitgegeven. Die zienswijze is verworpen omdat de Kroon op grond van mededelingen van de Gemeente tijdens de hoorzitting [2] voldoende aannemelijk achtte dat binnen een termijn van vijf jaar een aanvang zal worden gemaakt met het werk en/of de werkzaamheden waarvoor de onteigening noodzakelijk is. Nadat [eiser] in de gerechtelijke onteigeningsprocedure opnieuw de noodzaak en urgentie van de onteigening had betwist heeft de rechtbank geoordeeld (rov. 2.6.3) dat de Kroon in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de Gemeente binnen vijf jaar een begin zal maken met de uitvoering van het werk en/of de werkzaamheden waarvoor onteigening noodzakelijk is en dat dus sprake is van de voor onteigening vereiste urgentie.
7. De klachten van het middel sturen aan (nr. 22 en 23 van het middel) op een nieuwe beoordeling door Uw Raad van de door de Kroon verworpen zienswijze. Daarvoor is in cassatie echter geen plaats. Het middel betoogt voorts (nr. 21) dat de rechtbank heeft miskend dat het desbetreffende verweer van [eiser] niet alleen het oordeel van de Kroon betrof maar de rechtbank mede ertoe had behoren te brengen te beoordelen of het werk binnen drie jaar na de inschrijving van het vonnis van vervroegde onteigening tot ontwikkeling zal zijn gekomen, nu de Gemeente de dagvaarding tot vervroegde onteigening reeds kort na het onteigeningsbesluit heeft doen uitgaan en niet pas na twee jaar. Het middel stelt echter niet dat, en wijst ook niet aan waar in de stukken, [eiser] in de gerechtelijke onteigeningsprocedure een aldus op een termijn van drie jaar toegespitst verweer heeft gevoerd. Het verlangt dus een reactie op een niet gevoerd verweer, en faalt reeds daarom.
8. Ten overvloede wijs ik erop dat het oordeel van de rechter over de noodzaak en urgentie van een gevorderde onteigening zich in beginsel dient te beperken tot een marginale en
ex tunctoetsing van de onteigeningstitel (vaste rechtspraak, vgl. HR 9 februari 2000, NJ 2000/418, ECLI:NL:HR:2000:AA4852, NJ 2000/418 met noot PCEvW, Strijpse Kampen/gemeente Eindhoven). Uw Raad oordeelde in hetzelfde arrest dat voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening
naar het tijdstip van zijn uitspraakslechts plaats is indien hetgeen de gedaagde aanvoert met betrekking tot de noodzaak van onteigening, zo dat juist wordt bevonden, meebrengt dat de onteigening, in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij, in strijd is met het recht omdat die niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt of omdat ten gevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een bestemmingsplan of enig ander aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering van dat plan. Het middel klaagt niet dat de rechtbank een betoog van [eiser] van die strekking heeft gepasseerd.
9. Ook de klachten van het tweede middel kunnen daarom klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
Naar mijn mening kan Uw Raad het beroep gevoeglijk op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Waarnemend Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.Zie A-G Moltmaker in zijn conclusie (onder 3.7) vóór HR 1 november 1989, NJ 1990/289, herhaald in diens conclusie (onder 3.3) vóór HR 4 mei 1994, NJ 1996/4 met noot MB. Zie ook rov. 3.4 van laatstgenoemd arrest alsmede de conclusie van A-G Langemeijer (onder 2.8) vóór HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6113, RvdW 2013/268 (afgedaan met toepassing van art. 81 RO Pro).
2.Onder meer inhoudende dat naar verwachting 70 woningen in het deelgebied waarin de te onteigenen gronden zijn gelegen medio 2014 gereed zullen zijn.