Conclusie
1.Procesverloop in feitelijke instantie en in cassatie
2.Inleiding en kernpunten van het debat, oordeel van de rechtbank
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
eerste middelborduurt voort op het niet-ontvankelijkheidsverweer op grond van de stelling dat het Koninklijk Besluit van 3 september 2012 onrechtmatig is (totstandgekomen). Volgens het middel en de schriftelijke toelichting van mr. Duijsens is het middel gericht tegen rov. 2.6 van het bestreden vonnis, maar ik houd het ervoor dat dat een vergissing is en dat bedoeld is rov. 2.5.
tweede middelklaagt over de wijze waarop de rechtbank heeft beslist over het zelfrealisatieverweer. Voorts bevat het tweede middel klachten over het ontbreken van het noodzakelijke publieke belang en een voldoende mate van urgentie.
derde middelklaagt dat in het vonnis waarin de vervroegde onteigening is uitgesproken ten onrechte is nagelaten een datum te bepalen waarop het deskundigenrapport ter griffie van de rechtbank dient te zijn neergelegd. Het middel wijst daarbij op het bepaalde in art. 54j lid 2 Ow (ingevolge art 80 Ow Pro van overeenkomstige toepassing op Titel-IV onteigeningen) dat voorschrijft dat ingeval een vervroegde descente heeft plaatsgevonden de rechtbank (in het vonnis van vervroegde onteigening) een datum dient te bepalen waarop nederlegging van het deskundigenrapport zal moeten plaatsvinden [18] .
4.Publicatie
i, tevens de vaststelling van de schadeloosstelling behelst [21] , hetzelfde geldt voor dit vonnis;
ien de schadeloosstelling wordt vastgesteld bij het vonnis bedoeld in art 54
t, in elk van beide vonnissen de nieuws- of advertentiebladen moeten worden aangewezen, waarin het vonnis door toedoen van de Griffier bij uittreksel wordt geplaatst.