Conclusie
[verdachte]
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof onder meer de art. 6 EVRM Pro en art. 1 van Pro het Eerste Protocol van het EVRM heeft geschonden door bij de bewijsvoering te betrekken dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor redengevende feiten en omstandigheden, maar zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen.
tweede middelklaagt over het oordeel van het hof dat het onder 3 bewezenverklaarde feit “witwassen” oplevert.
In die eerdere rechtspraak is voorts tot uitdrukking gebracht dat een vonnis of arrest voldoende duidelijkheid moet verschaffen over de door de rechter in dit verband relevant geachte gedragingen van de verdachte. Wanneer het gaat om het voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, moeten daarom bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld)witwassen. Uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp.”
derde middelvoert aan dat het Hof heeft nagelaten de dagvaarding partieel nietig te verklaren op de grond dat deze niet voldoet aan de vereisten van art. 285 Sv Pro Curaçao. De plaatsbepaling, tijdsbepaling en gedragingen van de verwijten onder 1 en 2 zijn onvoldoende specifiek omschreven, aldus de steller van het middel.