Conclusie
eerstekomt het middel op tegen het oordeel van het Hof dat verdachte en de medeverdachten met betrekking tot de door hen gekraakte woning aanspraak kunnen maken op het huisrecht.
tweedein het middel aangevoerde cassatieklacht berust - als ik het goed begrijp - op de opvatting dat de vervolging op grond van art. 138a Sr door de strafrechter op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld; los van de vraag of al dan niet terecht gebruik is gemaakt van de ontruimingsbevoegdheid van art. 551 Sv Pro. Die opvatting is in zijn algemeenheid onjuist; zie HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1747. Er zijn omstandigheden waaronder de vraag of de ontruiming onrechtmatig was aan de strafrechter moet kunnen worden voorgelegd in het kader van de strafzaak tegen de verdachte van kraken. De (on)rechtmatigheid van de uitoefening van de strafvorderlijke bevoegdheid tot ontruiming als vervat in 551a Sv moet in beginsel met het oog op het zwaarwegend belang van aan een kraker toekomend huisrecht bij de onafhankelijke rechter ten toets kunnen komen en als de civielrechtelijke weg met voorafgaande toets heeft ontbroken, moet dit alsnog bij de strafrechter in het kader van de beoordeling van de strafzaak ter zake van de verdenking van art. 138a Sr kunnen worden voorgelegd. Alleen de wijze waarop de strafrechter die kwestie in het onderhavige geval heeft beoordeeld gaat in mijn ogen mank en daarmee kom ik bij de bespreking van de derde in het middel geformuleerde klacht.
derdekomt het middel op tegen het oordeel van het Hof dat hier sprake is van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv en dat de schending van dit verzuim tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging moet leiden.