Conclusie
1.Procesverloop
2.Inleiding en kernpunten van de bestreden beslissing
3.Bespreking van het middel
eerste onderdeelklaagt, na in nr.
1.2.3een bloemlezing te hebben gegeven van oordelen van Uw Raad met betrekking tot de vergoedbaarheid van wederbeleggingskosten, in nr.
1.2.4over miskenning van de in deze rechtspraak ontwikkelde criteria, althans onvoldoende motivering van haar oordeel dat in dit geval geen plaats is voor vergoeding van wederbeleggingskosten.
1.2.5 en 1.2.6, een verkeerd criterium gehanteerd, door uit de omstandigheid dat een redelijk handelend belegger in een geval als het onderhavige zijn grond voor een hogere dan de agrarische prijs zou hebben verkocht, af te leiden dat voor een vergoeding van wederbeleggingskosten geen plaats is.
1.2.7betrekt hierbij nog, voor het geval de rechtbank de door de Hoge Raad aanvaarde criteria voor vergoedbaarheid van wederbeleggingskosten niet mocht hebben miskend, het door de rechtbank in ander verband in rov. 2.24 vooropgezette criterium van de dubbele redelijkheidstoets van de kosten van juridische en andere deskundige bijstand ingevolge art. 50 lid 4 Ow Pro en de daarop gebaseerde jurisprudentie.
1.2.8wijst het onderdeel op een innerlijke tegenstrijdigheid in de redenering van de rechtbank. Als [eiser] als een duurzame belegger moet worden aangemerkt, bestaat er volgens de klacht geen ruimte meer voor toepassing van het criterium “wat een verstandig belegger zou doen”, omdat een duurzaam belegger per definitie niet de beslissing zal nemen om te verkopen als de verkoopprijs hoger is dan de agrarische waarde.
1.3.1wordt tenslotte de laatste volzin van rov. 2.20 bestreden met het betoog dat de eliminatieregel (art. 40c Ow) eraan in de weg staat dat met de hogere dan de agrarische waarde rekening wordt gehouden bij de beoordeling of een verstandige belegger er al dan niet voor gekozen zou hebben om de belegging af te stoten, nu die hogere waarde mede haar oorzaak vindt in het (weg te denken) plan voor het werk waarvoor onteigend wordt.
Kosten van wederbelegging.Een vaste rechtspraak leert, dat een onteigende geen aanspraak heeft op vergoeding van de kosten, die aan wederbelegging in onroerend goed zouden zijn verbonden. Ook deze regel vindt zijn grond in de omstandigheid, dat de rechter nu eenmaal heeft uit te gaan van de vooronderstelling, dat de onteigende overdraagt, in welke vooronderstelling besloten ligt, dat deze het te onteigenen goed onvoorwaardelijk verzilvert. De wens van de onteigende persoonlijk om het vrijkomende kapitaal wederom in onroerend goed te beleggen dient daarom buiten beschouwing te blijven.
– gelet op de vooruitzichten van zodanige wijze van beleggen en op de persoonlijke omstandigheden van de onteigende –wederbelegging in onroerend goed vorderde.
“dat een verstandig belegger er in het onderhavige geval voor zou hebben gekozen om de belegging af te stoten, nu de vergoeding voor de grond veel hoger is dan de agrarische waarde daarvan”, aldus te verstaan dat de rechtbank hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen (zo ongeveer:) dat het redelijk belang van [eiser] geen herbelegging in onroerende zaken vorderde, omdat (hij als) een verstandig belegger ook zonder onteigening zijn land zou hebben verkocht voor een prijs die overeenkomt met de in de onteigeningsprocedure bepaalde waarde, die veel hoger is dan de agrarische waarde, en dan de kosten van herbelegging van de ontvangen koopsom in vervangende agrarische grond op de koop toe zou nemen (of: en dan geen behoefte zou hebben in herbelegging in agrarische grond).
in extensoingegaan op de argumentatie van [eiser] ten betoge dat hij de onteigende percelen zonder onteigening niet zou hebben verkocht. [10] Merkwaardig is hierbij nog dat de rechtbank voor het geval dat moet worden aangenomen dat [eiser] de onteigende percelen als duurzame belegging hield tot de slotsom komt dat hij die gronden ook zonder onteigening wel voor de marktwaarde zou hebben verkocht. Voor de klacht in nr. 1.2.8 van het onderdeel dat de redenering van de rechtbank in dit opzicht innerlijk tegenstrijdig is heb ik begrip.
tweede onderdeelheeft betrekking op de proceskostenbeslissing van de rechtbank. Die wordt in twee opzichten aangevallen. De eerste klacht (nrs. 2.2.1-2.2.4) is een rechtsklacht gericht tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 2.24) dat de kosten van juridische en andere deskundige bijstand die verleend is in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure (zoals met betrekking tot het indienen van zienswijzen bij de Kroon) niet voor vergoeding in aanmerking komen. De tweede klacht (nrs. 2.3.2-2.3.5) stelt de motivering van de uitkomst waartoe de rechtbank kwam bij de dubbele redelijkheidstoets van de proceskosten van [eiser] ter discussie.
eerste klachtvan het onderdeel stelt een belangwekkende vraag aan de orde. De advocaat mr. I.L. van Geel, die [eiser] in de rechtbankprocedure heeft bijgestaan, heeft hem eerder bijgestaan in de fase van de administratieve onteigeningsprocedure en namens hem bij de Kroon schriftelijk zienswijzen naar voren gebracht. De “akte kostenoverzicht” van 17 april 2013 bevat als bijlage 1 een lijst van door mr. Van Geel bestede tijd, die kennelijk ook de tijd omvat die zij besteed heeft aan de bijstand die zij [eiser] heeft verleend bij het indienen van de (door de Kroon verworpen) gezichtspunten in de procedure die tot het onteigeningsbesluit van 27 oktober 2011 heeft geleid. Vallen onder in art. 50 lid 4 Ow Pro. bedoelde “kosten van het geding” ook de kosten van de aan de onteigende verleende rechtsbijstand of andere deskundige bijstand in de fase van de administratieve onteigeningsprocedure? In de rechtspraak van Uw Raad heb ik geen antwoord op deze vraag gevonden. De Gemeente heeft bij de rechtbank nog aangevoerd dat de namens [eiser] ingediende zienswijze bij de Kroon “niet voor vergoeding in aanmerking” komt [17] , maar in de schriftelijke toelichting van mr. Sluysmans heeft de Gemeente zich op dit punt (alsnog [18] ) gerefereerd aan het oordeel van Uw Raad. De klacht doet een beroep op het arrest van Uw Raad van 6 maart 1991, NJ 1991/818 m.nt. MB (Person/Amsterdam) en betoogt dat tot de ingevolge art. 50 lid 4 Ow Pro voor vergoeding in aanmerking komende preprocessuele kosten de redelijkerwijs gemaakte kosten in de minnelijke fase en in de deels daaraan parallel lopende administratieve onteigeningsfase worden gerekend. Dit laatste is volgens de klacht ook daarom evident, nu de administratieve onteigeningsprocedure niet leidt tot een voor de onteigende in een zelfstandige procedure appellabel besluit, maar tot een Koninklijk Besluit strekkende tot onteigening dat door de civiele onteigeningsrechter in de gerechtelijke onteigeningsprocedure op rechtmatigheid kan worden getoetst.
verlies van zijn zaak. [26] De proceskosten van de onteigende zijn niet veroorzaakt door het verlies van de onteigende zaak maar door zijn inspanningen om met behulp van professionele bijstand (als hij de onteigeningsvordering bestrijdt) het verlies van de zaak te voorkomen althans, als hij toch wordt onteigend, inspraak te hebben bij de bepaling van de hem toe te kennen schadeloosstelling. Dat de proceskosten van de onteigende geen deel uitmaken van zijn uit de eigendomsontneming voortvloeiende (op grond van art. 40 volledig Pro te vergoeden) schade blijkt naar mijn mening ook uit de leden 1 en 3 van art. 50, waaruit valt op te maken dat die kosten niet in alle gevallen volledig moeten worden vergoed, en dat de rechter in de daar bedoelde gevallen (getuige het woordje “kan”) een discretionaire bevoegdheid heeft om proceskosten van de onteigende voor zijn eigen rekening te laten. [27]
tweede klachtvan het tweede onderdeel keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de aanspraak van [eiser] op vergoeding van € 56.360,43 niet geheel de dubbele redelijkheidstoets kan doorstaan en wordt gematigd tot € 30.000. Geklaagd wordt (in nrs. 2.3.4 en 2.3.5) dat de motivering van dit oordeel tekort schiet, aangezien [eiser] bij akte van 17 april 2013 heeft toegelicht waarom de onteigeningsprocedure veel tijd heeft gekost: advisering in de minnelijke fase, voorlopige plaatsopneming in de administratieve fase, principieel verweer tegen de onteigeningstitel, een principiële discussie over de afbakening van het complex als bedoeld in art. 40d Ow. Daarmee heeft [eiser] volgens het onderdeel enerzijds aangevoerd dat de kosten ook op eerdere fasen in de procedure betrekking hebben, en anderzijds dat de zaak niet “relatief eenvoudig” was, maar juist principiële discussies kende over de omvang van het in aanmerking te nemen complex, de relevantie van vergelijkingsprijzen en de vergoedbaarheid van wederbeleggingskosten. De in rov. 2.26 toegepaste vergelijking met de kosten van de deskundigen bevestigt dat de rechtbank een te beperkte maatstaf heeft aangelegd, althans haar vonnis niet (voldoende) begrijpelijk heeft gemotiveerd, nu de door de rechtbank benoemde deskundigen noch betrokken waren in de minnelijke noch in de administratieve fase, zo betoogt de klacht.
naar het oordeel van de rechtbankredelijkerwijs zijn gemaakt. Het komt daarbij niet alleen aan op de vraag of het redelijk was dat die kosten zijn gemaakt, maar ook of die kosten binnen een redelijke omvang zijn gebleven (de dubbele redelijkheidstoets). [35] Bij de beantwoording van deze vragen komt, zoals Uw Raad reeds in het arrest Person/Amsterdam [36] oordeelde, aan de onteigeningsrechter een grote mate van vrijheid toe, terwijl art. 50 lid 4 Ow Pro door de daarin gebezigde bewoordingen hem in belangrijke mate van zijn motiveringsplicht ontheft. De aan zodanige motivering te stellen (minimum)eisen zijn mede afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd. [37]