ECLI:NL:PHR:2014:2212
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij verstekmededeling
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte bij verstek veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voor het bezit van een vals reisdocument. Verdachte stelde cassatie in tegen dit vonnis. Een belangrijk geschilpunt was of de verstekmededeling binnen de wettelijke termijn van een jaar na het arrest was betekend.
De Hoge Raad onderzocht of het openbaar ministerie voldoende voortvarendheid had betracht bij de betekening van de verstekmededeling, zoals vereist op grond van artikel 366 Sv Pro. Uit het dossier bleek dat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland had en dat de appeldagvaarding aan de griffier was uitgereikt omdat geen adres bekend was. Verdachte had bovendien geen maatregelen getroffen om op de hoogte te blijven van de procedure.
De Hoge Raad constateerde dat niet was gebleken dat binnen een jaar na het arrest van het hof op 26 oktober 2005 de verstekmededeling op de juiste wijze was betekend. Pogingen om via de gemeentelijke basisadministratie (GBA) een adres te achterhalen waren vruchteloos geweest. De enkele vermelding van een telefoonnummer in de appelakte bood onvoldoende grond voor het aannemen van een gerechtvaardigd vertrouwen dat verdachte telefonisch zou worden geïnformeerd.
Gelet op deze feiten oordeelde de Hoge Raad dat het middel gegrond was en dat de opgelegde straf verminderd moest worden wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het eerste middel, dat zag op de betekening van de appeldagvaarding, werd verworpen. De Hoge Raad herhaalde eerdere jurisprudentie omtrent de vereisten voor verstekmededelingen en de inspanningen die van het openbaar ministerie mogen worden verwacht.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de opgelegde gevangenisstraf wegens niet tijdige betekening van de verstekmededeling.