Conclusie
middelklaagt onder meer dat de Rechtbank de toepasselijke maatstaf van artikel 94a Sv bij haar beslissing tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het beklag heeft miskend.
voornoemdgeldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen’, heeft de Rechtbank de toepasselijke maatstaf miskend. De door haar te hanteren maatstaf was immers of zich al dan niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is, dat de strafrechter, later oordelend, de klager een verplichting tot betaling van
eengeldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Met haar oordeel is de Rechtbank bovendien voorbij gegaan aan het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure door ten gronde getreden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak en ontnemingszaak tegen de klager. [2] De Rechtbank heeft tot uitdrukking gebracht dat geen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen ter zake van de feiten waarvoor deze klager door de Rechtbank is vrijgesproken, terwijl het nog maar de vraag is of de gegeven vrijspraken in hoger beroep overeind zullen blijven, nu vaststaat dat de Officier van Justitie in de strafzaak hoger beroep heeft ingesteld tegen de gegeven vrijspraken en de ontnemingsprocedure tevens nog aanhangig is. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat de overwegingen van de Rechtbank omtrent de door haar aangenomen disproportionaliteit van het beslag gelet op hetgeen ik hiervoor heb gesteld ‘in de lucht hangen’, nu dat oordeel niet berust op een daaraan voorafgaande toetsing van het beslag aan de toepasselijke maatstaf. De logica vereist immers dat eerst nadat de drempel van die ‘niet hoogst onwaarschijnlijkheidsmaatstaf’ is gepasseerd (onder omstandigheden) de proportionaliteit van de uitkomst aan de orde kan komen. [3]