Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
en vice versa
1.Inleiding
JOR2014/29 met noot Tekstra.
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende was bestuurder van een beursgenoteerde vennootschap die failliet ging. Hij ontving optierechten en had een achterstallige loonvordering van $1.000.000 wegens niet-uitbetaald salaris. De Belastingdienst stelde hem aansprakelijk voor loonbelasting die niet door de werkgever was ingehouden en afgedragen over de periode 1995-2000.
Belanghebbende stelde dat de loonbelasting via verrekening met zijn achterstallige loonvordering was verhaald, waardoor inhouding had plaatsgevonden en hij niet aansprakelijk kon worden gesteld. Het Hof verwierp dit, stellende dat civielrechtelijke verrekening niet in de belastingprocedure aan de orde kon komen en dat belanghebbende niet te goeder trouw was.
De Staatssecretaris stelde dat interne compensatie binnen de aansprakelijkstelling wel mogelijk moest zijn, ook al waren de naheffingsaanslagen onherroepelijk. De Hoge Raad overweegt uitgebreid jurisprudentie en wetsgeschiedenis over de bevoegdheden van inspecteur en ontvanger, de mogelijkheid van interne compensatie, en de voorwaarden waaronder een werknemer aansprakelijk kan zijn voor niet-ingehouden loonbelasting.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat zowel het beroep van belanghebbende als dat van de Staatssecretaris gegrond zijn, en dat de zaak moet worden verwezen voor nader onderzoek naar de verrekening en interne compensatie. De zaak benadrukt het belang van fiscale rechtsbescherming en procesrechtelijke beginselen in aansprakelijkstellingprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de beroepen gegrond en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar verrekening en interne compensatie terug naar het Hof.