AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad over aansprakelijkheid bestuurder voor niet-ingehouden loonbelasting en interne compensatie
Belanghebbende was bestuurder van een beursgenoteerde vennootschap die failliet ging. Hij ontving optierechten en had een achterstallige loonvordering van $1.000.000 wegens niet-uitbetaald salaris. De Belastingdienst stelde hem aansprakelijk voor loonbelasting die niet door de werkgever was ingehouden en afgedragen over de periode 1995-2000.
Belanghebbende stelde dat de loonbelasting via verrekening met zijn achterstallige loonvordering was verhaald, waardoor inhouding had plaatsgevonden en hij niet aansprakelijk kon worden gesteld. Het Hof verwierp dit, stellende dat civielrechtelijke verrekening niet in de belastingprocedure aan de orde kon komen en dat belanghebbende niet te goeder trouw was.
De Staatssecretaris stelde dat interne compensatie binnen de aansprakelijkstelling wel mogelijk moest zijn, ook al waren de naheffingsaanslagen onherroepelijk. De Hoge Raad overweegt uitgebreid jurisprudentie en wetsgeschiedenis over de bevoegdheden van inspecteur en ontvanger, de mogelijkheid van interne compensatie, en de voorwaarden waaronder een werknemer aansprakelijk kan zijn voor niet-ingehouden loonbelasting.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is dat zowel het beroep van belanghebbende als dat van de Staatssecretaris gegrond zijn, en dat de zaak moet worden verwezen voor nader onderzoek naar de verrekening en interne compensatie. De zaak benadrukt het belang van fiscale rechtsbescherming en procesrechtelijke beginselen in aansprakelijkstellingprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de beroepen gegrond en verwijst de zaak voor nader onderzoek naar verrekening en interne compensatie terug naar het Hof.
Voetnoten
1.Hofuitspraak, r.o. 7.10.3, zie onderdeel 2.8 van deze conclusie.
2.Hofuitspraak, r.o. 7.1, zie onderdeel 2.8.
3.Rechtbankuitspraak, r.o. 4.8.1-4.8.2, zie onderdeel 2.4.
4.Hofuitspraak, r.o. 7.4.2, zie onderdeel 2.8.
5.De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten uit de processtukken waarin een tekstbewerking voorkomt, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven.
6.Wettekst zoals deze luidde op het moment van de aansprakelijkstelling op 7 januari 2004.
7.Wettekst zoals deze luidde op het moment van de aansprakelijkstelling op 7 januari 2004.
8.Tekst zoals deze luidde in 2001.
9.Tekst zoals deze luidde in 2001.
10.Tekst zoals deze luidde in 2001.
11.Wet van 30 mei 1990, inzake invordering van rijksbelastingen, andere dan invoerrechten en accijnzen (Stb. 1990, 221). In de eerste parlementaire stukken werd dit artikel aangeduid als artikel 39. In het uiteindelijke wetsvoorstel is dit artikel echter vernummerd tot artikel 38.
14.Wet van 30 mei 1990, inzake invordering van rijksbelastingen, andere dan invoerrechten en accijnzen (Stb. 1990, 221). In de eerste parlementaire stukken werd dit artikel aangeduid als artikel 39. In het uiteindelijke wetsvoorstel is dit artikel echter vernummerd tot artikel 38.
17.Wet van 12 september 2002 tot wijziging van de Invorderingswet 1990 (Herziening procesrecht inzake aansprakelijkstelling) (Stb. 2002, 478).
31.J.H.P.M. Raaijmakers,
32.E.B. Pechler,
33.R.M.P.G. Niessen-Cobben,
34.N.E.D. Faber,
35.C.W.M. van Ballegooijen en D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo,
36.J.J. Vetter, A.J. Tekstra en P.J. Wattel,
37.D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, Loonheffingen (editie 2012), Kluwer: Deventer 2012, p. 392 - 393.
38.F.A. Piek en A.A. Kan,
39.A.S. Hartkamp en C.H. Sieburgh,
40.J.H.P.M. Raaijmakers,
41.Zie onderdeel 3.3 van deze conclusie.
42.Zie 2.13, r.o. 7.10.3.
43.Zie 3.3, onderdeel 7 van belanghebbendes toelichting op het middel.
44.Zie 4.11.
45.Zie 4.6, 4.27 en 4.28.
46.Zie 3.3.
47.Zie 4.31.
48.Zie 2.13.
49.Zie 4.29.
50.Zie 2.6 t/m 2.10.
51.Zie 3.3.
52.Zie 2.1; r.o. 2.3 van de Hofuitspraak.
53.Zie 2.1; r.o. 2.4.
54.Zie 4.13 (bewijslastverdeling), 4.14 en 4.27.
55.Zie 2.1; r.o. 2.2.
56.Zie 3.4 en 3.5.
57.Zie 2.13.
58.Zie 4.24, 4.25 en 4.30.
59.Zie 4.10, 4.11 en 4.23.
60.Artikel 49, lid 6, Invorderingswet.
61.Vgl. 4.22 en 4.25.
62.Zie 4.17, met name ad 6.7.
63.Zie 4.19 en 4.20.