Conclusie
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich tegen ’s Hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen [betrokkene 11] en [betrokkene 12]. Volgens de steller van het middel heeft het Hof daarbij de verkeerde maatstaf - te weten het noodzakelijkheidscriterium in plaats van het verdedigingsbelang – toegepast, mede in aanmerking genomen dat blijkens het extract-vonnis van de rechtbank van 7 juli 2009 in eerste aanleg sprake zou zijn geweest van verstek, zodat het bepaalde in art. 288, tweede lid, Sv niet van toepassing is. Voorts wordt onder verwijzing naar HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN2370, NJ 2010/682 aangevoerd dat – kort gezegd - namens verzoeker geen appelschriftuur kon worden ingediend waarin getuigen werden opgegeven (verzoeker is in eerste aanleg vrijgesproken van het hem tenlastegelegde), dat de verdediging bij de eerst mogelijke gelegenheid verzocht heeft om in hoger beroep getuigen te horen en dat de verdediging op dat moment nog niet over het volledige dossier – waaronder in het bijzonder de verklaring van getuige [betrokkene 11] – beschikte, en dat ook in dat licht de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen [betrokkene 12] en [betrokkene 11] onvoldoende gemotiveerd en/of onbegrijpelijk is, althans dat het verzoek verworpen is op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
tweede middelricht zijn pijlen op de afwijzing door het Hof van het verzoek van de verdediging om [verbalisant 7] en [verbalisant 5] als getuige te horen. Mede gezien de toelichting op dit middel luidt de klacht, onder verwijzing naar het arrest van HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5966, NJ 2008/230, dat het Hof door te overwegen dat het zich in dit verband op grond van de processtukken voldoende in staat acht de rechtmatigheid van de vervolging van verzoeker te beoordelen ten onrechte is “vooruitgelopen op de inhoud van bedoelde getuigenverklaringen”, althans dat de beslissing van het Hof ter zake onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd, in het bijzonder nu verzoeker blijkens het hem tenlastegelegde ook terecht staat voor het doen van onjuiste MOT meldingen (vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5966, NJ 2008/230).
Aan te leggen maatstaven
“Procedure in eerste aanleg
III. Verzoeken tot het (doen) horen van getuigen
“Oordeel van het hof
“Het doen horen van nieuwe getuigen [verbalisant 7] en [verbalisant 5]
derde middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat de ‘vervolgingsuitsluitingsgrond’ als bedoeld in art. 12 van Pro de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties (hierna Wet MOT (oud), AG) [5] “alleen van toepassing is op situaties waarin transacties op de juiste wijze zijn gemeld”, althans dat de bewezenverklaringen van de feiten 1 primair en 2 primair niet naar de eisen van de wet met redenen zijn omkleed, nu daarbij – gelet op art. 12 Wet Pro MOT (oud) – door het Hof in strijd met het ‘nemo tenetur’-beginsel ten onrechte gebruik is gemaakt van door de instelling [medeverdachte 1] (zelf) gemelde gegevens, althans heeft het Hof onvoldoende gerespondeerd op het ter zake door de verdediging bij pleidooi naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat gegevens of inlichtingen die in overeenstemming met art. 9 of Pro art. 10 Wet Pro MOT (oud) zijn verstrekt, niet kunnen dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens (onder meer), witwassen door degene die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.
[medeverdachte 1] op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006, in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft [medeverdachte 1] grote geldbedragen, te weten
“Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Overweging met betrekking tot het bewijs
(…)
Naast deze preventieve functie heeft de voorgestelde meldingsplicht ook een repressieve functie. Door analyse van de verstrekte gegevens en de vergelijking ervan met andere gegevensbestanden kunnen feiten worden ontdekt die voor de opsporing en de vervolging van misdrijven van belang kunnen zijn.” [10]
(…)
Het voorgestelde tweede lid ziet op vrijwaring in verband met een inbreuk op een geheimhoudingsplicht indien meldplichtigen informatie verstrekken aan het MOT. De ruimere redactie is nodig omdat de toepassing van de vrijwaring zich niet zozeer richt op situaties waarin << in overeenstemming met >> de artikelen 9 of 10 Wet MOT is gemeld, maar juist vooral ziet op uitzonderlijke gevallen waarin melding krachtens indicatoren niet behoefde plaats te vinden. Het gaat om situaties waarbij beroepsbeoefenaars (advocaten, notarissen) zijn betrokken op wie een geheimhoudingsplicht rust en die gegevens hebben verstrekt in de redelijke veronderstelling dat uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 9 of 10 van de Wet MOT. Is daarvan sprake, dan kan betrokkene niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld ter zake van overtreding van artikel 272 van Pro het Wetboek van Strafrecht.” [16]
vierde middelhoudt in dat de bewezenverklaringen van het Hof terzake van feit 1 primair en feit 2 primair, te weten feitelijk leidinggeven aan (gewoonte)witwassen gepleegd door [medeverdachte 1], niet naar de eisen van de wet met redenen zijn omkleed, nu de ter zake gebezigde bewijsmiddelen innerlijk tegenstrijdig zijn en/of in strijd zijn met de bewijsoverwegingen van het Hof, althans bewijsmiddelen voor hetgeen door het Hof ter zake in de bewijsoverwegingen wordt opgemerkt, ontbreken. Althans dat het Hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het door de verdediging bij pleidooi op de voet van art. 359, tweede lid, Sv ten aanzien van deze feiten naar voren gebrachte, uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat [medeverdachte 1] (door de toezichthouder) nimmer werd geïnformeerd over de verdachte herkomst van de desbetreffende gelden, terwijl het Nagel-onderzoek evenmin zicht gaf op het vermeende gronddelict, zodat verzoeker ook om die reden niet wist of kon weten dat deze gelden afkomstig zouden zijn van misdrijf.
“Overweging met betrekking tot het bewijs
vijfde middelkeert zich tegen de bewezenverklaringen van de feiten 1 tot en met 4, en behelst de klacht dat het Hof niet, althans onvoldoende, heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat [medeverdachte 3] vanaf januari 2005 de enige leidinggevende was binnen [medeverdachte 1] en dat verzoeker bewust buiten de gang van zaken binnen [medeverdachte 1] werd gehouden.
zesde middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, keert zich met een aantal klachten tegen de onder 5 bewezenverklaarde deelname aan een criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr Pro.