Conclusie
automotive business(mobiele communicatieapparatuur die wordt geleverd aan autofabrikanten) enerzijds en
consumer business(in hoofdzaak accessoires ten behoeve van mobiele communicatie) anderzijds. De
automotive businessis een voortzetting van activiteiten die, voorafgaand aan een management buy-out in 2008 op initiatief van [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), behoorden tot het Nokia-concern.
Joint Venture and Shareholders’ Agreementgesloten (hierna: de joint venture overeenkomst). De joint venture overeenkomst houdt – voor zover thans van belang – het volgende in:
Board Regulations) is (in art. 3.2) de taakverdeling binnen het bestuur als volgt omschreven:
Board Reserved Matters) kunnen, ongeacht of zij aan de orde zijn bij Novero of de werkmaatschappijen, slechts genomen worden met goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering van Novero met een meerderheid van 75% (art. 3.6, 5.2.2 en 6.1). In Annex 3.6 zijn onder meer de volgende besluiten aangewezen als
Board Reserved Matters:
- Het
- Iedere aandeelhouder die tenminste 25% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigt mag de boekhouding van Novero en de werkmaatschappijen onderzoeken, heeft toegang tot de kantoren van Novero en de werkmaatschappijen en kan aanspraak maken op verstrekking door het bestuur van alle informatie die de aandeelhouder redelijkerwijs verlangt en op kopieën van in de joint venture overeenkomst genoemde stukken (art. 7.5).
Shareholder Loan Agreementovereengekomen, welke overeenkomst ertoe strekt dat Arch gedurende de periode tot en met 31 december 2018 aan Novero werkkapitaal ter beschikking stelt ten bedrage van € 16 miljoen, in de vorm van geldleningen op verzoek van Novero. De joint venture overeenkomst (waarin deze financiering wordt aangeduid als
“Working Capital Facility”) houdt ten aanzien daarvan in:
Use of available funds
Separation Automotive – Consumer Status and Long Range Plans 2011-2013”, over wijziging van de (vennootschappelijke) structuur van de Novero-groep, aldus dat een scheiding wordt aangebracht tussen de
automotive businessenerzijds en de
consumer businessanderzijds.
Strategic Reasons for Seperation
governancevan Novero en haar werkmaatschappijen gebrekkig is georganiseerd en aangedrongen op maandelijkse bestuursvergaderingen. In reactie daarop heeft Riamo bij brief van 23 juni 2011 dit verwijt bestreden en erop gewezen dat DPH als bestuurslid evenzo verantwoordelijk is voor de
governancevan Novero, dat het haar vrij staat bestuursvergaderingen te beleggen en dat zij toegang heeft tot alle informatie met betrekking tot Novero en de werkmaatschappijen. Bij brief van 19 juli 2011 aan Riamo en [betrokkene 1] heeft DPH onder meer gesteld dat Riamo niet te goeder trouw heeft onderhandeld over de herfinanciering en de mogelijke uitkoop van Arch en aangedrongen op regelmatige bestuursvergaderingen en op verstrekking van de door Arch verzochte informatie.
Shareholder Loan Agreement€ 9,8 miljoen aan werkkapitaal aan Novero verstrekt. Op 20 mei 2012 heeft [betrokkene 1] namens Novero met een beroep op de
Shareholder Loan Agreementaan Arch verzocht om verstrekking van (de resterende) € 6,2 miljoen aan werkkapitaal. Arch heeft aan dit verzoek niet voldaan.
Shareholder Loan Agreement.
research & developmentin de
automotive businessen het liquiditeitstekort als gevolg daarvan),
up-to-dateinformatie aan DPH en Arch over de financiële en bedrijfseconomische positie van de Novero-groep,
the current liquidity crisis” en hebben Riamo en DPH elkaar over en weer verweten constructief overleg uit de weg te gaan.
Working Capital Facilitydaarvoor niet aangewend had mogen worden.
Shareholder Loan Agreementafgewezen.
input for discussion on Wednesday 10/4” heeft [betrokkene 2] – voor zover thans relevant – geschreven:
bridge loanaan Novero GmbH zou verstrekken, zijn besproken. Deze algemene vergadering van aandeelhouders is voortgezet op 26 april 2013 en 1 mei 2013.
bridge loangedaan en een voorstel gedaan tot het instellen van een
supervisory boardbij Novero.
bridge loan.
analysis of the negotiations” schrijft [betrokkene 2] – voor zover hier relevant – het volgende:
statement Sales Departments”) gedateerd 27 mei 2013 staat – voor zover thans relevant – het volgende:
2) Situation between August 2012-April 2013
very high resulting in production line stop. Realistic threat that supliers may change strategy to upfront payments. Once this happens with few suppliers, the others will follow shortly.(…)”
brigde loanhet volgende:
Voting
bridge loan agreementgetekend en op 6 juni 2013 € 1,8 miljoen aan Novero GmbH betaald. [betrokkene 8] (echtgenote van [betrokkene 1]) heeft namens Riamo geweigerd om de
bridge loan agreementte tekenen.
,beiden bijgestaan door hun advocaten, [betrokkene 2] (de door de ondernemingskamer benoemde commissaris van Novero) en [betrokkene 3] (de door de ondernemingskamer benoemde beheerder van de aandelen van Novero) [8] . Novero en DPH zijn niet verschenen.
board reserved matteren over de vraag of, in welke mate en op welke wijze informatie moet worden verschaft [9] ;
2.Bespreking van het cassatiemiddel
board reserved matteren over de vraag of, in welke mate en op welke wijze informatie moet worden verschaft, bij wijze van onmiddellijke voorziening toekennen aan de beheerder van de aandelen. Ter bescherming van de belangen van Riamo, bepaalt de Ondernemingskamer bij wijze van onmiddellijke voorziening ten slotte dat DPH niet langer zelfstandig bevoegd is om Novero als bestuurder te vertegenwoordigen. Voor verdere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer geen aanleiding.”
de eerste klacht van subonderdeel 1.1heeft de ondernemingskamer bij de toepassing van art. 2:349a BW een onjuiste maatstaf aangelegd. Daartoe wordt – samengevat – aangevoerd dat de ondernemingskamer in een geval als het onderhavige – waarin het onderzoek wel was gelast, maar waarvoor nog geen onderzoeker is benoemd c.q. het onderzoek nog niet is aangevangen – op grond van art. 2:349a BW slechts onmiddellijke voorzieningen mag treffen mits voldoende rekening is gehouden met, en een billijke afweging van, de belangen van alle betrokken partijen – waaronder ook die van Riamo als bestuurder – heeft plaatsgevonden. Voorts moet van de noodzaak van de voorzieningen voldoende zijn gebleken omdat een minder ingrijpende maatregel niet effectief zou zijn. In het subonderdeel wordt erop gewezen dat een minder ingrijpende en effectieve maatregel in dit geval mogelijk was, namelijk de door Arch (primair) verzochte benoeming van [betrokkene 2] als tijdelijk derde bestuurder van Novero met doorslaggevende stem.
de tweede klacht van subonderdeel 1.1– zakelijk weergegeven – nog bij dat de ondernemingskamer in een geval als het onderhavige slechts terughoudend gebruik mocht maken van haar bevoegdheid in bedoeld in art. 2:349a BW, omdat in dit stadium nog slechts voorlopig beoordeeld kan worden of het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:356 BW Pro gerechtvaardigd is. Om die reden kon of mocht de ondernemingskamer van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen slechts gebruik maken indien daartoe met inachtneming van alle relevante omstandigheden, in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek, voldoende zwaarwegende redenen bestonden. Volgens de klacht kunnen de in rechtsoverweging 3.3 genoemde omstandigheden noch ieder op zichzelf noch in onderling verband worden aangemerkt als voldoende zwaarwegende belangen.
voordateen onderzoek wordt gelast, dienen daartoe voldoende zwaarwegende redenen te bestaan [23] .
nog geen onderzoekis gelast, te weten of er naar voorlopig oordeel gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. In de parlementaire geschiedenis is uitdrukkelijk opgemerkt dat niet aan het criterium van art. 2:349a BW behoeft te worden getoetst in de situatie – zoals in de onderhavige zaak – dat het enquêteverzoek wel inhoudelijk is behandeld (inclusief het debat ter terechtzitting), maar de ondernemingskamer wacht met de benoeming van een onderzoeker. In dat geval is er immers al een “eindoordeel” geveld over die gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen [33] .
subonderdelen aen
bvoeren aan dat de enkele overweging dat er geen aanleiding is om verdere onmiddellijke voorzieningen te treffen onvoldoende is, omdat ook in het kader van art. 2:349a BW een motiveringsplicht geldt.