ECLI:NL:PHR:2014:304
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling houdsterverliesregeling en feitelijke werkzaamheid bij houdstermaatschappijen
De zaak betreft de uitleg van de houdsterverliesregeling in art. 20(4) Wet Vpb, die de verticale verrekening van verliezen beperkt voor belastingplichtigen die nagenoeg het gehele jaar uitsluitend houdsteractiviteiten verrichten. In geschil stond of ook voorbereidende en afwikkelende werkzaamheden buiten de periode van daadwerkelijk houdsterschap onder het begrip 'feitelijke werkzaamheid bestaande uit het houden van deelnemingen' vallen, en of perioden zonder feitelijke werkzaamheid buiten beschouwing moeten blijven bij de 90%-tijdtoets.
De rechtbank en het hof stelden dat alleen daadwerkelijk gehouden deelnemingen meetellen en dat perioden van non-activiteit niet onder het houden van deelnemingen vallen. De Staatssecretaris voerde cassatieberoep in met het standpunt dat voorbereidende en afwikkelende werkzaamheden onlosmakelijk verbonden zijn met het houdsterschap en dat perioden zonder feitelijke werkzaamheid buiten beschouwing moeten blijven.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat hoewel voorbereidende en afwikkelende werkzaamheden in theorie onder het begrip kunnen vallen, de praktische uitvoerbaarheid en rechtszekerheid vereisen dat alleen daadwerkelijk gehouden deelnemingen meetellen. Ook moeten perioden zonder feitelijke werkzaamheid worden meegeteld in de tijdstoets. De Hoge Raad volgde deze conclusies, waardoor verliezen slechts als houdsterverliezen worden aangemerkt indien gedurende ten minste 90% van het gehele boekjaar daadwerkelijk een deelneming is gehouden. De cassatieberoepen van de Staatssecretaris werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat alleen daadwerkelijk gehouden deelnemingen meetellen voor de houdsterverliesregeling.