ECLI:NL:PHR:2011:BN3537
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verliesverrekeningsbeperking voor houdster- en financieringsmaatschappijen in vennootschapsbelasting
De zaak betreft de vraag of de verliesverrekeningsbeperking van artikel 20, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) in strijd is met het Europese recht en of deze regeling ook van toepassing is op belastingplichtigen die zowel houdster- als financieringsactiviteiten verrichten. Belanghebbende, een vennootschap met buitenlandse deelnemingen en financieringsactiviteiten, betwistte de toepassing van deze verliesverrekeningsbeperking op haar verlies over 2005.
De rechtbank en het hof bevestigden de toepassing van de regeling. De Hoge Raad concludeert dat de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende, ook al worden deze deels door derden uitgevoerd, dienstbaar zijn aan houdster- en financieringsactiviteiten en dat de regeling dus terecht is toegepast. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het woord "of" in de wettelijke tekst ook cumulatieve situaties omvat waarin zowel houdster- als financieringsactiviteiten plaatsvinden.
Verder wordt geoordeeld dat de regeling niet in strijd is met de vrijheid van vestiging zoals neergelegd in artikel 49 VWEU Pro. De beperking van verliesverrekening geldt neutraal en treft ook houdsters met binnenlandse deelnemingen. Het ontbreken van een grensoverschrijdende fiscale eenheid is gerechtvaardigd door de noodzaak tot behoud van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid. Klachten over een integrale proceskostenvergoeding worden eveneens afgewezen.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee de geldigheid en toepassing van de verliesverrekeningsbeperking voor houdster- en financieringsmaatschappijen, ook in situaties waarin activiteiten door derden worden uitgevoerd en waarbij sprake is van gecombineerde activiteiten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de verliesverrekeningsbeperking van art. 20, lid 4, Wet Vpb 1969 als rechtmatig en niet in strijd met EU-recht.