Conclusie
middelkomt op tegen het oordeel van het hof dat de betrokkene uit het bewezen verklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten. Uit de toelichting volgt dat het middel tevens is gericht tegen de toepassing van art. 36e, zevende lid, Sr.
“Verdediging
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De verplichting tot betaling aan de Staat
de betrokkenevoordeel heeft genoten en tegen het oordeel van het hof dat de betrokkene hoofdelijk aansprakelijk is voor het totale bedrag aan het verkregen voordeel. Daartoe wordt in de toelichting op het middel, onder verwijzing naar HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3721, aangevoerd dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan dient te worden van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Indien er verschillende daders zijn en de omvang van het voordeel van elk van die daders niet aanstonds is vast te stellen, zal de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan ieder van hen moet worden toegerekend, waarbij in het geval er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor een andere toerekening, dit ertoe kan leiden dat het voordeel pondspondsgewijs wordt toegerekend. Nu niet blijkt dat pondpondsgewijze verdeling van het voordeel over de daders tot een onredelijke bevoordeling zou leiden, had het hof niet van hoofdelijke aansprakelijkheid kunnen uitgaan, aldus de steller van het middel.