[verdachte]
1. Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 7 december 2012 ter zake van 1. primair en 2. primair “telkens: poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Aan dit voorwaardelijk deel heeft het hof een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde reclasseringscontact verbonden. Tevens heeft het hof verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegt voor de duur van in totaal 36 maanden en heeft het de vordering van de benadeelde partij toegewezen, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander zoals nader omschreven in het arrest.
2. Mr. A.H. Staring, advocaat te Arnhem, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3.1 Het middel klaagt dat het hof het beroep op noodweerexces ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd heeft verworpen.
3.2 Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. primair
hij in de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [betrokkene 1] van het leven te beroven, opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault Twingo, kenteken: [AA-00-BB]) (komende vanaf de Velperbinnensingel) met aanzienlijke snelheid op [betrokkene 1] (die zich op dat moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de Velperbuitensingel 25 bevond) is toegereden en deze heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij in de nacht van 16 op 17 april 2011 te Arnhem ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [betrokkene 2] van het leven te beroven, opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde auto (blauwe Renault Twingo, kenteken: [AA-00-BB]) (komende vanaf de Velperbinnensingel) met aanzienlijke snelheid op [betrokkene 2] (die zich op dat moment op het trottoir/voetgangersgebied ongeveer ter hoogte van de Velperbuitensingel 25 bevond) is toegereden en deze heeft aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”.
3.3 Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van 20 april 2011, opgemaakt door [verbalisant 1], voornoemd, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] (pagina 110 e. v.), zakelijk weergegeven:
Op zondag 17 april 2011 omstreeks 4.00 uur liep ik met mijn vrienden [betrokkene 1] en [betrokkene 3] over het Johnny van Doornplein te Arnhem (…). We waren uitgeweest en [betrokkene 1] en ik hadden gedronken. [betrokkene 3] was nuchter want hij moest rijden. We kregen ruzie met de inzittenden van een auto. Er werd wat geduwd en getrokken. Ik heb op een gegeven moment aan [betrokkene 1] voorgesteld dat we maar weg moesten gaan. [betrokkene 1], [betrokkene 3] en ik liepen toen met ons drieën weg. Toen wij een stukje verder liepen hoorde ik plotseling geschreeuw. Ik hoorde dat iemand riep: "Pas op!" Ik draaide me om en zag het licht van twee koplampen op ons afkomen. Ik hoorde het optrekken en het extra gas geven van een auto. In een reactie sprong ik naar rechts over een muurtje. [betrokkene 1] liep op dat moment iets voor mij. Op het moment dat ik wegsprong werd ik nog net door de auto geraakt. Ik werd geraakt aan mijn onderbeen. Door de klap kreeg ik een zwieperd waardoor ik over het muurtje vloog en ik kwam met de linkerzijde van [m]ijn hoofd op de grond terecht. Ik stond op en hoorde plotseling een harde klap. Toen ik keek zag ik [betrokkene 1] op de grond liggen. Ik liep naar [betrokkene 1]. [betrokkene 1] was niet bij kennis en niet aanspreekbaar. Ik zag dat zijn gezicht helemaal onder het bloed zat.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 april 2011, opgemaakt door [verbalisant 2], voornoemd, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] (pagina 182 e.v.), zakelijk weergegeven:
Ik was samen met [betrokkene 1] en een vriend van [betrokkene 1] in de nacht van 17 april 2011 in de Arnhemse binnenstad. Ik zag dat er op een gegeven moment een Renault stopte. De mensen in de auto vroegen de weg. Het gesprek verliep eerst sociaal, maar toen de auto wegreed trapte [betrokkene 1] of zijn vriend tegen de auto. Ik zag dat de auto toen in zijn achteruit werd gezet. [betrokkene 1] en die vriend liepen op een uitdagende manier naar de auto. De auto reed iets naar voren en stopte bij het Wokparadijs. Er stapten twee jongens uit de auto. Ze waren boos. Op een gegeven moment waren [betrokkene 1] en die vriend aan het vechten met de twee jongens. [betrokkene 1] en die vriend waren duidelijk aan het winnen. Die ene jongen stapte in en de andere jongen werd achterna gezeten. Hij stapte al vechtend in de auto. Het raam aan de bestuurderszijde werd dicht gedaan. Ik zag dat toen het raam dicht was, [betrokkene 1] vol door het raam aan de bestuurderskant heen sloeg. Daarna wandelde ik weg. [betrokkene 1] en die vriend liepen sneller dan ik. Ze liepen in de richting van de Albert Heijn die daar vlak bij het Musis zit. Op een gegeven moment hoorde ik dat de auto gestart werd. De auto draaide naar links en reed het pleintje op. De auto trok vol gas op. Ze reden recht op (…) [betrokkene 1] en die vriend in. Ik hoorde een 'vieze pok' en zag daarna iemand door de lucht vliegen. Het deed mij denken aan Koninginnedag 2009 toen er ook mensen door de lucht vlogen. Ik rende er naar toe en zag dat het [betrokkene 1] was. De auto reed met volle snelheid door.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 april 2011, opgemaakt door [verbalisant 1], voornoemd, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] (pagina 207 e. v.), zakelijk weergegeven:
Vannacht op zondag 17 april 2011 liep ik samen met mijn vriend over het Johnny van Doornplein langs de V&D in de richting van de Steenstraat. Ter hoogte van het wokrestaurant zag ik dat er een ruzie gaande was. Het latere slachtoffer kwam erg agressief en uitdagend over en riep tegen inzittenden van de auto: 'Kom dan uit de auto'. De auto stond stil op de rijbaan van de Eusebiusbinnensingel en met de voorzijde in de richting van de John Frostbrug. Ik zag dat er een meisje uitstapte en even daarna een jongen van de achterbank en vervolgens ook de bestuurder. Ik zag dat het slachtoffer een klap uitdeelde aan de bestuurder. De bestuurder rende weg en ik zag dat het slachtoffer achter hem aan rende. Ik heb aan het meisje gevraagd wat er gebeurd was. Het meisje zei dat er helemaal niets gebeurd was en dat ze alleen maar de weg wilde vragen. Ik zag op een gegeven moment dat de bestuurder, het meisje en de andere inzittende naar de auto renden en in de auto gingen zitten. Zij sloten de portieren af.
Ik zag dat de bestuurder snel het raam dicht deed. Ik zag dat het slachtoffer tegen het portier van de auto begon te slaan. Ik hoorde het meisje gillen dat het niet haar auto was. Ik zag dat het latere slachtoffer met zijn vuist tegen de ruit sloeg, lk zag en hoorde dat de ruit kapot ging. Ik zag dat het slachtoffer wegliep in de richting van de Steenstraat, gevolgd door een van de twee andere jongens. Ik hoorde dat de motor van de auto werd gestart. Ik zag dat de bestuurder de auto draaide en het voetpad opreed. Hij reed vlak langs mij en mijn vriend. Ik sprong een stukje naar achteren en schreeuwde naar het slachtoffer en die andere jongens dat ze weg moesten gaan. Ik hoorde aan het geluid van de auto dat de bestuurder het gaspedaal flink had ingetrapt en dat de motor behoorlijke toeren maakte. Ik zag dat de bestuurder met een flinke snelheid in de richting van het slachtoffer reed. Ik zag de bestuurder de jongen met de pet, die zich afzijdig had gehouden, duidelijk ontweek en gericht afreed op de jongen die de ruit had ingeslagen en de vriend die vlak bij hem liep. Zij liepen toen bij het muurtje voor het terras van Musis Sacrum. Ik zag en hoorde dat het slachtoffer door de auto geraakt werd. Ik hoorde duidelijk een doffe bonk. Ik zag op dat zelfde moment ook dat het slachtoffer omhoog door de lucht vloog en in een draai weer plat op de grond viel en bleef liggen. Ik zag dat zijn vriend op hetzelfde moment aan de kant sprong. Ik zag dat de bestuurder van de auto na de aanrijding een scherpe bocht naar links maakte en meteen wegreed.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 april 2011, opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden hoofdagent, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] (pagina 213 e.v.), zakelijk weergegeven:
In de nacht van 17 april 2011 liep ik in Arnhem op het Velperplein. Plotseling zag ik dat er een personenauto, merk Renault, uit de richting van de hoofdingang van Musis, in mijn richting reed. De auto reed in de richting van een groep personen en reed vervolgens op die groep in. Ik zag dat de auto niet afremde en evenmin van richting veranderde. Ik zag dat de groep zich verspreidde. Voor de groep liepen twee jongens. Ik zag dat de auto doorreed in de richting van deze twee jongens. Ik zag toen de auto ongeveer op één meter de jongens genaderd was, dat een van de jongens opzij sprong. Vrijwel meteen daarna zag ik dat de andere jongen aangereden werd. De jongen werd als het ware geschept. Ik zag dat de jongen door de voorzijde van de auto aangereden werd en vervolgens op de motorkap en voorruit klapte en vervolgens over het dak in een soort salto, draaiend over de auto ging. Tot slot maakte hij een vrije val op straat. Ik zag dat hij aan de achterzijde aangereden werd en midden op de auto geraakt werd. Ik zag dat hij met de voorzijde van zijn lichaam midden op straat belandde. Ik dacht op dat moment echt dat die man dit niet overleefd had. Ik zag dat de bestuurder met dezelfde snelheid doorreed.
7. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de terechtzitting van het hof van 23 november 2012, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik was in de nacht van 16 op 17 april 2011 naar Arnhem gekomen om iemand op te halen. Op een bepaald moment waren we de weg kwijt en zijn we in een bepaalde situatie terecht gekomen. We wilden de weg vragen en we werden geconfronteerd met enkele dronken jongens. Om de auto - waarin we zaten - ontstond opeens een herrie.
Ik was de bestuurder van de auto.
Ik ben tegen iemand aangereden die ik niet kende.”
3.4 Het hof heeft ten aanzien van het bewijs nog het volgende overwogen:
“Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opzettelijk op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is ingereden en zo ja of zijn opzet dan op de dood van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] was gericht.
Uit het bovenstaande volgt dat de verdachte, nadat de autoruit door [betrokkene 1] was ingeslagen de auto heeft gedraaid, via de trottoirband het voetgangersgebied is opgereden in de richting van [betrokkene 1] en [betrokkene 2], de snelheid van de auto heeft opgevoerd en vervolgens zonder af te remmen tegen [betrokkene 1] is aangereden en [betrokkene 2] heeft geraakt.
Het kan, gelet op die feiten, niet anders zijn dan dat verdachte opzettelijk op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] is ingereden.
Hoewel niet vaststaat hoe hard de verdachte precies reed op het moment dat hij tegen [betrokkene 1] aanreed en [betrokkene 2] raakte, gaat het hof er van uit dat dit met zodanige snelheid was dat de aanmerkelijke kans bestond dat deze personen zouden komen te overlijden.
Uit het feit dat de verdachte over een afstand van ongeveer 60 meter de snelheid van de auto heeft opgevoerd en uit hetgeen de getuigen hebben gehoord op het moment van de aanrijding ('een vieze pok' en een 'doffe bonk') en hebben gezien ('het slachtoffer vloog door de lucht' 'in een salto draaiend over de auto'), leidt het hof af dat verdachte met zodanige snelheid tegen [betrokkene 1] is opgereden dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [betrokkene 1] zou overlijden.
Gelet op het feit dat verdachte met dezelfde snelheid op [betrokkene 2] inreed, gaat het hof er van uit dat ook bij [betrokkene 2] de aanmerkelijke kans bestond dat hij zou overlijden. Weliswaar heeft [betrokkene 2] niet zo'n vlucht door de lucht en smak gemaakt als [betrokkene 1], maar dat kwam omdat hij nog net kon wegduiken, waardoor slechts zijn been door de auto werd geraakt.
Verdachte heeft doelbewust de snelheid van de auto opgevoerd en is doelbewust op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met flinke snelheid ingereden. Verdachte moet - zoals elke autobestuurder - hebben geweten dat door het inrijden op personen met de snelheid waarmee de verdachte reed de aanmerkelijke kans bestond dat deze personen zouden overlijden. Aldus heeft verdachte (door met die snelheid op die personen in te rijden) de aanmerkelijke kans dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zouden overlijden ten gevolge van die aanrijding aanvaard.”
3.5 Blijkens een ter terechtzitting in hoger beroep overlegde pleitnota heeft de raadsman van verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
“Bij de beantwoording van de vraag of [verdachte] strafbaar heeft gehandeld is van belang dat [verdachte] vanaf het begin van het strafrechtelijk onderzoek heeft verklaard dat hij, [betrokkene 6] en [betrokkene 7] die nacht, door een voor hen onbekende groep jongens, bij wie ze aanvankelijk om de weg hadden gevraagd, plotseling op buitengewoon gewelddadige wijze werden aangevallen. Het door deze jongens in groepsverband uitgevoerde geweld richtte zich in korte tijd voortdurend op zowel hen als de auto waarmee zij die nacht waren. [verdachte] maar ook [betrokkene 6] en [betrokkene 7] zijn door deze acute uitbarsting van geweld volledig verrast. Ook de intensiteit van het geweld heeft hen overweldigd. Het geweld begint met een trap tegen de zijkant van de auto en wordt enkele seconden daarna gevolgd door het neerslaan van [betrokkene 7], het duwen en het geven van een kopstoot aan [verdachte], het achtervolgen van [verdachte] wanneer deze probeer[t] te vluchten en uiteindelijk het inslaan van de ruit van de auto. De oorzaak van deze hoge intensiteit van geweld in korte tijd is zeer waarschijnlijk gelegen in het feit dat [betrokkene 1] die nacht een behoorlijke hoeveelheid GHB in combinatie met alcohol tot zich had genomen en [betrokkene 2] minst genomen aangeschoten was. Daarnaast verklaren getuigen bij zowel de politie als de RC dat zij maar door bleven gaan met geweld en niet voor rede[n] vatbaar waren. [verdachte], [betrokkene 6] en [betrokkene 7] hebben geprobeerd zich aan dit geweld te onttrekken, hetgeen telkens mislukte. Ten tijde van dit op hen uitgevoerde geweld waren zij allen ten prooi aan angst, wanhoop en paniek. Op het moment dat [verdachte], uit de richting waar de auto stond, hoorde dat er een ruit werd ingeslagen en zijn vriendin hoorde schreeuwen, is hij hierop in een verhevigde gemoedstoestand naar de auto gerend en achter het stuur van deze auto gaan zitten en kennelijk weggereden. Uit de verklaringen van de getuigen blijkt dat [betrokkene 1] degene was die de ruit van de auto had ingeslagen en daarna is weggelopen. Tevens blijkt uit deze verklaringen dat tussen het moment dat de ruit wordt ingeslagen door [betrokkene 1] en het moment dat [verdachte] in de auto stapt en wegrijdt en vervolgens [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aanrijdt zeer kort is. Op het tijdstip van de aan [verdachte] verweten gedraging waren de aanvallen van de groep jongens weliswaar beëindigd en bestond derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer, doch niettemin is deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding. Hierbij komt betekenis toe aan de korte tijdspanne tussen de wederrechtelijke aanranding en de aan [verdachte] verweten gedraging en de intensiteit van de wederrechtelijke aanranding. In tegenstelling tot hetgeen zowel de Rechtbank als het OM hierover hebben overwogen, meent de verdediging dat op basis van dit dossier zeer aannemelijk dat [verdachte]’s gemoedsbeweging doorslaggevend is geweest en dat er bij hem geen sprake is van een zekere rationaliteit en doelgerichtheid op de hem verweten gedraging.
Gelet op het hier bovenstaande is de conclusie gerechtvaardigd dat [verdachte] niet strafbaar heeft gehandeld. Reden waarom hij ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.”
3.6 Het hof heeft dit beroep op noodweerexces verworpen en heeft hiertoe overwogen:
“Door de raadsman van de verdachte is (…) het verweer gevoerd dat de verdachte heeft gehandeld in een toestand van (extensief) noodweerexces en om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof stelt voorop dat als door of namens de verdachte een dergelijk beroep is gedaan op noodweerexces wat betreft het door de rechter in te stellen onderzoek het volgende geldt. Van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien
b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
De verdediging heeft zich beroepen op de hiervoor onder sub b bedoelde situatie.
Het hof acht het aannemelijk dat door de provocaties van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verdachte - met name toen ook nog eens het raam van de auto kapot werd geslagen - woedend was geworden en dat die woede verdachte heeft doen besluiten om met vaart op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in te rijden.
Woede kan worden aangemerkt als een hevige gemoedsbeweging, terwijl die woede (onder meer) werd veroorzaakt door de vernieling van de autoruit - dus een wederrechtelijke aanranding - door [betrokkene 1].
Niettemin is het hof van oordeel dat het beroep op extensief noodweerexces verworpen dient te worden. Het hof acht de reactie van de verdachte, zoals hiervoor overwogen, zodanig disproportioneel dat hem geen beroep op noodweerexces toekomt. Het hof verwerpt het verweer.”
3.7 De steller van het middel betoogt dat indien deze overwegingen zo moeten worden begrepen dat het hof slechts oog heeft gehad voor het inslaan van de autoruit ‘s hofs oordeel onjuist, althans in ieder geval zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Het hof had immers de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging bij verdachte alsmede de door de verdediging gestelde volledige omvang van de aanranding in zijn beschouwingen moeten betrekken. Bovendien is zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom het hof heeft geoordeeld dat de reactie van verdachte zodanig disproportioneel was dat hem geen beroep op noodweerexces toekomt.
3.8 Het hof heeft terecht overwogen dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweerexces, voor het door de rechter in te stellen onderzoek het volgende geldt. Van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien
b. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging toch het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Van noodweerexces kan dus ook sprake zijn als de noodweersituatie reeds is beëindigd.Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een "dergelijk onmiddellijk gevolg" sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging.Tussen de aanranding en de reactie van de aangerande kan voorts zoveel tijd zijn verlopen dat die reactie niet als een onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging kan gelden.
3.9 Uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid dat verdachte samen met een vriend en vriendin door het centrum van Arnhem reed en de weg vroeg aan de latere slachtoffers [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Toen verdachte vervolgens verder reed, trapte één van deze jongens, kennelijk zonder enige aanleiding, tegen de auto en riep [betrokkene 1] op agressieve en uitdagende toon dat de inzittenden uit de auto moesten komen. Toen verdachte en zijn metgezellen hieraan gehoor gaven, gaf [betrokkene 1] verdachte een klap. Hierop rende verdachte weg en rende [betrokkene 1] achter hem aan, waarna een gevecht ontstond tussen verdachte, zijn vriend, [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Op een gegeven moment renden verdachte en zijn metgezellen terug naar de auto, zij stapten in en sloten de deuren en ramen af. Daarop sloeg [betrokkene 1] het gesloten raam aan de bestuurderskant stuk. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] liepen vervolgens weg. De door hen tegen (onder meer) verdachte gepleegde wederrechtelijke aanranding was daardoor ten einde.
3.10 De kritiek die de steller van het middel heeft op de overwegingen van het hof, voor zover daarin de wederrechtelijke aanranding wordt geïdentificeerd, onderschrijf ik. Het hof onderscheidt provocaties, die kennelijk nog geen wederrechtelijke aanranding opleveren, en de vernieling van de autoruit die wel uitdrukkelijk als wederrechtelijke aanranding wordt aangewezen. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren uiterst agressief tegen verdachte die enkel de weg wilde weten. Het hof heeft door slechts de vernieling van de autoruit als een wederrechtelijke aanranding te beschouwen en verder slechts te spreken van "provocaties" zonder zich erover uit te laten of deze "provocaties" ook wederrechtelijke aanrandingen waren, een te beperkt kader genomen voor de beoordeling van het beroep op noodweerexces. Hoe zwaarder de aanranding is, des te aannemelijker is het ontstaan van een hevige gemoedsbeweging die ten grondslag ligt aan overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging. Een aanranding die enkel materiële schade veroorzaakt, zoals de vernieling van een autoruit, is op het eerste gezicht minder ernstig dan een aanslag op de fysieke integriteit, met als gevolg dat de eisen die te stellen zijn aan de verhouding tussen aanranding en verdediging anders zullen liggen.
Het hof heeft evenmin uitdrukkelijk aandacht geschonken aan het tijdsverloop tussen de agressie door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte. En dat tijdsverloop is voor de beoordeling van een beroep op noodweerexces ook van groot belang.
4. Het middel is naar mijn mening terecht voorgesteld.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden