“Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende
Verdachte is ten laste gelegd dat hij - kort gezegd - gedurende een periode van ruim acht jaren voordeel heeft getrokken uit de door zijn partner, [medeverdachte], ten onrechte ontvangen, althans op grond van onvolledige informatie verstrekte bijstandsuitkering. [medeverdachte], moeder van twee kinderen, ontvangt sedert 9 oktober 1996 een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet respectievelijk de Wet werk en bijstand, tot 1 februari 2006 naar de norm voor een eenoudergezin. [medeverdachte] heeft nagelaten om bij de uitkeringverstrekkende instantie, de Dienst Sociale Zaken van de gemeente Almere, te melden dat zij in haar woning aan de [a-straat 1] te Almere een gezamenlijke huishouding voerde met verdachte. Verdachte zou van haar uit misdrijf verkregen uitkering (mee) hebben geprofiteerd door deel te nemen aan de van die uitkering bekostigde huishouding. De strafbaarheid van het verdachte ten laste gelegde staat derhalve in een rechtstreeks verband met de strafbaarheid van het [medeverdachte] ten laste gelegde.
Verdachte heeft verklaard dat hij met [medeverdachte] een relatie onderhoudt sedert 1990. Daaruit is op [geboortedatum] 1992 een dochter geboren die door hem is erkend. Ten opzichte van de in 1995 geboren, niet door hem verwekte noch erkende zoon vervult verdachte de vaderrol. Verdachte stelt dat er tot 1 februari 2006 geen sprake is geweest van samenwoning met [medeverdachte]. Hij verbleef weliswaar regelmatig enkele dagen en nachten per week bij haar, maar soms ook een hele week niet. Beiden zouden op hun zelfstandigheid zijn gesteld. Verdachte zou zijn hoofdverblijf in Amsterdam hebben aan [b-straat] en - vervolgens – aan de [c-straat 1] aldaar. Hij heeft verklaard dat hij in de periode van 1999 tot de zomer van 2004 een relatie met een derde had, te weten met [betrokkene 1]. Met haar zou hij in die jaren, buiten medeweten van [medeverdachte], een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op de hiervoor genoemde Amsterdamse adressen. Verdachte bleef [medeverdachte] niettemin regelmatig bezoeken in die periode, deels vanwege zijn vaderschap en deels vanwege zijn ook toen voortdurende relatie met [medeverdachte].
Het hof acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte en [medeverdachte] in de periode tot 1 juli 2004 een gezamenlijke huishouding hebben gehad. De datum van 1 juli 2004 ontleent het hof aan de verklaringen van verdachte en [betrokkene 1] over de breuk in hun relatie, althans de bekoeling daarvan, in de zomer van 2004.
Het hof dient vervolgens vast te stallen of voldoende wettig en overtuigend bewezen is verdachte en [medeverdachte] in de periode van 1 juli 2004 tot 25 januari 2006 een gezamenlijke huishouding hebben gehad.
(…)
Het hof acht de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] dat er eerst op 1 februari 2006 sprake was van (volledige) samenwoning van hen beiden niet geloofwaardig. Uit de verklaring van [medeverdachte] ter terechtzitting van het hof blijkt dat verdachte regelmatig bij haar verbleef en dat hij na de breuk met [betrokkene 1] in 2004 vaker bij haar was.
Daarnaast heeft [medeverdachte] ter terechtzitting verklaard dat ze in elkaars auto reden, dat zij de kleren van verdachte wel waste, dat verdachte wel mee at, en dat zij van verdachte hiervoor geen bijdrage in de kosten heeft ontvangen. Dit blijkt ook uit de verklaring van verdachte.
Het hof acht gelet op het bovenstaande boven redelijke twijfel verheven dat er na 1 juli 2004 een zodanige economische verwevenheid tussen [medeverdachte] en verdachte bestond dat er gesproken kan worden van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de Wet werk en bijstand, dat [medeverdachte] (strafbaar) verzuimd heeft dit te melden aan de Dienst Sociale Zaken te Almere en dat verdachte voordeel daaruit heeft getrokken door deel uit te maken van de huishouding die daarmee werd gefinancierd.”