Conclusie
1.D-Age B.V.,
2.Diavolezza B.V.,
[verweerder 3],
[verweerder 4],
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van de middelen in het principaal cassatieberoep
Middel VIbevat slechts een veegklacht .
Middel IIIklaagt over de verwerping van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in rov. 7.7 e.v.
Middel IVklaagt aansluitend over de voortbouwende oordelen in rov. 7.14 ten aanzien van het ontbreken van bedrog en het beroep op art. 8 van Pro de vaststellingsovereenkomst.
Middel Vklaagt over de verwerping van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in rov. 7.15 e.v.
nr. 18wordt door middel II betoogd, dat een afspraak tot het uitsluiten van een beroep op bedrog in strijd zou zijn met art. 3:40 BW Pro.
nr. 15klaagt het middel dat partijen evident hebben bedoelen te zeggen dat zij niet meer twisten over de afgelegde (al dan niet bedrieglijke) verklaringen van [betrokkene 1], maar niet hebben bedoeld afstand te doen van een beroep op bedrog jegens elkaar (bestaande uit het niet mededelen van de verstrekte en nooit terugbetaalde lening of de advocaatkosten), waarbij ook wordt gewezen op art. 14 van Pro de vaststellingsovereenkomst waarin vernietiging ervan op grond van dwaling en ontbinding uitdrukkelijk is uitgesloten.
nr. 16klaagt het middel in verband met rov. 7.4, 6.14 en 7.17, dat de uitleg van de notulen in verband met de reden van het aftreden van de RvC onbegrijpelijk is en dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien waarom de door het hof gegeven reden bijdraagt aan zijn uitleg van art. 12.
nr. 17verwijst naar middel III en faalt (ook) om de daar te bespreken redenen. De klachten in
nr. 19bouwen voort op de voorafgaande klachten en falen dus eveneens. [24] Ik kom tot de slotsom dat middel II faalt.
nr. 22dat het hof de stelling van Nethave, dat sprake is van bedrog door D-Age en Diavolezza c.s., op een onbegrijpelijke manier heeft geïnterpreteerd. Volgens het middel heeft het Hof miskend dat Nethave haar beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid niet heeft gebaseerd op (i) de stelling dat [betrokkene 1] zou zijn omgekocht, maar op (ii) de stelling dat sprake is van bedrog van de zijde van D-Age en Diavolezza c.s. aangezien zij Nethave informatie hadden moeten verschaffen over de lening van Diavolezza aan Hooglanden en de omvang van de aan [betrokkene 1] vergoede advocaatkosten.
nr. 21ook aangeeft) de stelling waarop Nethave zicht beroept (stelling ii) juist weergegeven. Het hof heeft deze ook betrokken op het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (rov. 7.8).
nr. 23dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat er geen sprake was van een mededelingsplicht nu ervan moet worden uitgegaan dat [betrokkene 1] niet was omgekocht, omdat Nethave ook buiten het geval van omkoping belang had bij deze informatie.
nr. 25op dezelfde gronden als middel III en faalt in het voetspoor daarvan.
nr. 27 en 28op dezelfde gronden als de middelen III en II en faalt in het voetspoor daarvan. Voor zover in nr. 28 een zelfstandige klacht moet worden gelezen over een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken, faalt deze omdat daaruit onvoldoende blijkt waarom de door het hof aan de stukken gegeven lezing onbegrijpelijk zou zijn.
Middel VIfaalt eveneens.