Conclusie
“clausule 086”van toepassing verklaard. In deze clausule staat:
Vraag 4. Zou(den) de verzekeraar(s) bij wie de boerderij tegen herbouwwaarde of verkoopwaarde kon worden verzekerd na de brand tot uitkering zijn overgegaan? Zou(den) de verzekeraar(s) hier nog bijzondere voorwaarden aan hebben verbonden?
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“Toelichting”) in een zestal onderdelen (1-5, waarvan twee onderdelen met nummer 2 worden aangeduid) wordt uitgewerkt.
“verzekerde vóór de schade al het voornemen had het gebouw af te breken”. In de literatuur is gesignaleerd dat de uitleg van deze bepaling in de lagere rechtspraak aan de orde is geweest en dat daarin als algemene lijn een concreet voornemen tot sloop wordt vereist en een uitkering van de sloopwaarde alleen aan de orde is wanneer het gebouw ten tijde van de brand zijn functie niet meer vervulde en op zeer korte termijn niet meer zal (kunnen) vervullen [12] .
“er sprake is van een definitief voornemen de continuïteit te verbreken”. Volgens het onderdeel heeft het hof niets over een zodanig definitief voornemen vastgesteld. In het licht hiervan wordt geklaagd dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom op grond van het indemniteitsbeginsel - ongeacht de aard van de verzekering die [eiser] zou hebben gesloten - nooit een hogere vergoeding zou zijn toegekend dan de sloopwaarde van het pand.
definitievesloopplannen heeft aangenomen, volgt tevens uit de verwijzing in rov. 4.7 naar
“het antwoord dat de door de rechtbank benoemde deskundige heeft gegeven op vraag 4”. Het bedoelde antwoord van de deskundige luidt immers:
“(a)ls voor het evenement definitieve sloopplannen bestonden, zal de sloopwaarde uitgekeerd worden.”De door het hof gevolgde gedachtegang getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is alleszins naar behoren gemotiveerd. Hierop stuit de klacht af.
nooiteen hogere waarde dan de sloopwaarde zou zijn toegekend, maar dat een dergelijke hogere waarde niet zou zijn toegekend
in het geval dat voor het evenement reeds definitieve sloopplannen bestonden. Zoals toegelicht bij de bespreking van onderdeel 2 (eerste voorkomen), ligt in het oordeel van het hof in de rov. 4.6 en 4.7 besloten dat van een definitief voornemen tot sloop sprake was.
Gegevendat reeds aangenomen voornemen tot sloop (zie ook de openingszin van rov. 4.7:
“Omdat het ervoor moet worden gehouden dat [eiser] voor de brand reeds van plan was de boerderij te slopen, zou hem (…) nooit een hogere vergoeding zijn toegekend dan de sloopwaarde (…).”), is het niet onbegrijpelijk dat het hof zijn oordeel dat in casu nooit een hogere vergoeding dan de sloopwaarde zou zijn uitgekeerd, mede op het antwoord van de deskundige op vraag 4 heeft doen steunen. Weliswaar heeft de rechtbank in rov. 2.17 in fine (en in rov. 218) van het in appel bestreden vonnis anders over het bestaan van definitieve sloopplannen geoordeeld, maar dat doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af. Dat het hof het vonnis van 26 januari 2011 heeft bekrachtigd, impliceert niet dat het hof het in rov. 2.17 (en 2.18) van dat vonnis vervatte oordeel heeft onderschreven. Alhoewel het hof dat niet
explicitis verbisheeft uitgesproken, is het evident dat het hof het vonnis van de rechtbank (in zoverre) slechts met verbetering van de gronden daarvan heeft bekrachtigd [16] .