Conclusie
Bedrag van €6.270,45
Bewijsoverweging feit 2
a. Het bedrag van € 225.230
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van witwassen, behalve voor feit 1 waarbij zij werd vrijgesproken. Het hof oordeelde dat verdachte samen met een medeverdachte grote geldbedragen had voorhanden die afkomstig waren uit criminele activiteiten, maar dat er geen verzwarende verhullingshandelingen waren verricht die het medeplegen van witwassen konden rechtvaardigen.
De Hoge Raad overwoog dat witwassen gericht is op het veiligstellen en verhullen van criminele opbrengsten en dat het enkele voorhanden hebben van geld afkomstig uit eigen misdrijf niet automatisch witwassen oplevert. Voor medeplegen van witwassen moet blijken dat er in nauwe en bewuste samenwerking gedragingen zijn verricht die gericht zijn op het verbergen van de criminele herkomst.
In deze zaak ontbrak het bewijs dat verdachte meer had gedaan dan het samen hebben van het geld met de medeverdachte. Er waren geen feiten of omstandigheden die wezen op gedragingen gericht op verhulling. Daarom kon het gedrag van verdachte niet als witwassen worden gekwalificeerd en werd de vrijspraak bevestigd. Daarnaast werd het verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank afgewezen omdat verdachte en haar raadsman op de wettelijk voorgeschreven wijze van de zittingsdata op de hoogte waren gebracht en de procedure aan de eisen van een eerlijk proces voldeed.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte voor medeplegen witwassen wegens ontbreken van gedragingen gericht op verhulling van criminele herkomst.