Conclusie
- het klaagschrift ongegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van [A] B.V. en [B] B.V. tegen een beschikking van de rechtbank Dordrecht inzake een strafrechtelijk onderzoek naar corruptie, mede op basis van een rechtshulpverzoek uit Mauritius. De rechtbank had geoordeeld dat de doorzoekingen bij klaagsters zowel in het kader van het Mauritiaanse rechtshulpverzoek als het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek hadden plaatsgevonden. Tevens werd het klaagschrift deels niet-ontvankelijk verklaard en deels ongegrond.
De Hoge Raad bevestigt dat de doorzoekingen onder leiding van de rechter-commissaris hebben plaatsgevonden en dat het ontbreken van een schriftelijke beschikking niet betekent dat de vordering tot doorzoeking niet is toegewezen. De Hoge Raad wijst het beroep af, onder meer omdat het belang van klaagsters bij bepaalde middelen ontbreekt nu het verleende verlof onherroepelijk is geworden. Ook wordt geoordeeld dat de rechter-commissaris de meest vergaande rechterlijke toets heeft toegepast bij de doorzoekingen.
De Hoge Raad overweegt dat stukken die na verleend verlof aan de officier van justitie ter beschikking zijn gesteld, ook mogen worden gebruikt in het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek. De cassatieberoepen tegen de beschikking ex art. 552p Sv worden verworpen, waardoor het verzoek om gebruiksbeperkingen van inbeslaggenomen stukken en verbod op overdracht aan de officier van justitie faalt.
Uitkomst: Het cassatieberoep van [A] B.V. en [B] B.V. wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.