ECLI:NL:HR:2014:227

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2014
Publicatiedatum
4 februari 2014
Zaaknummer
12/04883
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 552p Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 10 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen beschikking inzake inbeslagneming in kader Brits rechtshulpverzoek

In deze zaak gaat het om een beroep in cassatie van klaagster tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam waarin haar klaagschrift over inbeslagneming van voorwerpen op grond van artikel 552a Sv ongegrond werd verklaard. De inbeslagneming vond plaats in het kader van de uitvoering van een Brits rechtshulpverzoek.

De rechtbank had daarnaast op vordering van de Officier van Justitie verlof verleend om het inbeslaggenomen materiaal ter beschikking te stellen aan de Britse autoriteiten, onder voorbehoud van terugzending of vernietiging na gebruik. Tegen deze beschikking was geen beroep in cassatie ingesteld, en klaagster had in haar schriftuur ook geen klachten geuit tegen dit verlof.

De Hoge Raad oordeelt dat de beschikking waarbij het verlof is verleend onherroepelijk is geworden, waardoor vernietiging van de beschikking over het klaagschrift geen verandering kan brengen. Hierdoor ontbreekt klaagster het belang bij haar beroep en wordt zij niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad benadrukt tevens het belang van een samenhangende behandeling van procedures op grond van artikel 552a en 552p Sv bij dezelfde inbeslagneming om een evenwichtige en doelmatige afdoening te bevorderen. In dit geval is klaagster door de werkwijze van de rechtbank niet wezenlijk in haar belangen geschaad.

De Hoge Raad verklaart het beroep van klaagster niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard in het beroep tegen de beschikking over het klaagschrift inzake inbeslagneming.

Uitspraak

4 febrauri 2014
Strafkamer
nr. 12/04883 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 4 september 2012, nummer RK 12/1316, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster], geboren op [geboortedatum] 1983.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd dat de klaagster niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1.
In het kader van de uitvoering van een Brits rechtshulpverzoek zijn op het adres [a-straat 1] te Amsterdam voorwerpen in beslag genomen. Naar aanleiding van een "Klaagschrift over inbeslagneming (Art. 552a & 552p Sv.)" van onder anderen klaagster heeft de Rechtbank op de voet van art. 552a, eerste lid, Sv bij beschikking van 4 september 2012 met onder meer nr. 12/1316 "het beklag ongegrond" verklaard. Daarnaast heeft de Rechtbank op de voet van art. 552p, tweede lid, Sv op vordering van de Officier van Justitie bij beschikking van eveneens 4 september 2012 met nrs. 12/1177 en 12/1180 "in de zaak tegen [betrokkene 1] (...) en [betrokkene 2]" verlof verleend aan de Officier van Justitie om het inbeslaggenomene ter beschikking te stellen aan de Britse autoriteiten, onder het voorbehoud dat het inbeslaggenomene zal worden teruggezonden, dan wel worden vernietigd, zodra daarvan het voor de strafvordering noodzakelijke gebruik is gemaakt.
2.2.
Tegen de beschikking van de Rechtbank met nrs. 12/1177 en 12/1180, waarbij het in art. 552p, tweede lid, Sv bedoelde verlof is verleend, hebben de in die beschikking vermelde partijen geen beroep in cassatie ingesteld, terwijl ook in de namens klaagster in de onderhavige zaak ingediende schriftuur naar aanleiding van haar afgewezen "Klaagschrift over inbeslagneming (Art. 552a & 552p Sv.)" geen klachten zijn geformuleerd die betrekking hebben op het in die beschikking gegeven verlof en de gronden waarop dat berust. Aldus moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat die beschikking onherroepelijk is geworden. Vernietiging van de onderhavige beschikking kan daarin geen verandering brengen. Dit betekent dat de klaagster geen belang meer heeft bij het beroep tegen de onderhavige beschikking van de Rechtbank, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2.3.
Opmerking verdient nog het volgende. Het gaat in het onderhavige geval om twee verschillende procedures op de voet van art. 552a, eerste lid, Sv respectievelijk 552p, tweede lid, Sv volgend op een inbeslagneming naar aanleiding van een rechtshulpverzoek. Voor een evenwichtige en doelmatige afdoening van zulke zaken verdient het aanbeveling dat de rechter - wanneer dat redelijkerwijs mogelijk is - bevordert dat dergelijke procedures naar aanleiding van dezelfde inbeslagneming gevoegd worden behandeld en vervolgens in één beschikking worden beoordeeld, zodat een daartegen gericht beroep ook de beslissing ten aanzien van de andere procedure kan betreffen (vgl. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8757, NJ 2012/218). Uit hetgeen hiervoor onder 2.2 is overwogen, volgt overigens dat de klaagster vanwege de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval door de werkwijze van de Rechtbank niet wezenlijk in haar belangen is geschaad.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de klaagster niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 februari 2014.