Conclusie
1.[eiser 1],
Kameleon Beheer IV B.V.,
1.Feiten en procesverloop
2.Een opmerking over het dossier
subonderdeel I.1. Volgens deze klacht miskent het hof dat indien er geen paulianeus handelen is, alleen van onrechtmatige daad kan worden gesproken indien daarvoor bijzondere omstandigheden zijn gesteld die liggen buiten de betreffende rechtshandeling sec. Of anders gezegd, het hof miskent de rechtsregel dat feitelijke gronden die geen paulianues handelen opleveren derhalve ook geen onrechtmatige daad kunnen opleveren (HR 16 juni 2000, NJ 2000/578). Volgens de klacht verschillen de feitelijke gronden waarop de afwijzing van de pauliana-vorderingen is gebaseerd (kort gezegd: de intentie tot bevoordeling van zichzelf boven andere crediteuren en de benadeling van de andere crediteuren) niet van de feitelijke gronden waarop de onrechtmatige daad is gebaseerd (te weten dat [eiser 1] en Kameleon de verkopen zodanig hebben gerealiseerd dat het positieve resultaat daarvan buiten bereik van de crediteuren werd gehouden).
subonderdeel I.2dat het hof buiten het partijdebat is getreden voor zover het tot uitgangspunt heeft genomen dat de curator bijzondere omstandigheden heeft gesteld die liggen buiten de rechtshandelingen sec; de curator deed ter onderbouwing van zijn standpunt een beroep op omstandigheden
binnende verrichte rechtshandelingen sec.
Subonderdeel I.3betoogt dat de oordelen in rov. 4.2.6-4.2.7 en in rov. 4.2.8 innerlijk tegenstrijdig zijn.
seceen rol spelen (het middel haakt bij deze formulering aan). [11] Het kan dan gaan, aldus De Weijs, om de relatie van partijen of de wijze waarop de wederpartij de schuldenaar tot betaling heeft bewogen. Voor zover niets anders is gesteld dan dat een benadelende handeling heeft plaatsgevonden, zal er in principe geen ruimte zijn voor het oordeel dat de wederpartij aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad. [12]
vanwege de tussen [betrokkene 1] en respectievelijk [eiser 1] en Kameleon overeengekomen koopprijzen’ zijn aan te merken als rechtshandelingen die op de voet van het bepaalde in art. 42 Fw Pro dan wel art. 47 Fw Pro voor vernietiging vatbaar zijn. [betrokkene 1] zou meer krijgen dan in de akte was vermeld, zij het niet het volle pond voor de panden. Dat enkele feit acht het hof echter onvoldoende om ‘
de desbetreffende verkopen als zodanig’ paulianeus te achten. [18]
de panden zonder de wederverkoop voor verhaal door de crediteuren van [betrokkene 1] c.s. beschikbaar zouden zijn geweest’ (rov. 4.2.7, vierde volzin). Het hof overweegt dat de verkoop van de panden aan [eisers] niet los kan worden gezien van de terugkoop van die panden van [B]; een terugkoop kon zonder wederverkoop niet worden gerealiseerd. Het hof deelt ‘
in zoverre’ het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de crediteuren van [betrokkene 1] ‘
door het samenstel van de transacties zelf’ zijn benadeeld (rov. 4.2.7, slotzin).
in het feit dat zij die verkopen zodanig hebben gerealiseerd dat het positieve resultaat van die verkopen buiten bereik van de crediteuren van de v.o.f. en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] werd gehouden.’
intentie van [eiser 1] en en [betrokkene 1] om alles in het werk te stellen om gelden en/of voor verhaal vatbare zaken uit handen van crediteuren van [betrokkene 1] te houden’ (zie met name de vijfde en negende volzin).
subonderdeel I.2betoogt, buiten het partijdebat getreden. Het middel wijst op de stellingen van de curator bij pleidooi in appel (p. 10, eerste en tweede woordblok). Ook indien de curator aldaar in het kader van zijn beroep op ‘bijzondere omstandigheden’ zoals bedoeld in het arrest Van Dooren q.q./ABN AMRO I verwees naar zijn stellingen die waren aangevoerd in het kader van zijn beroep op de pauliana, sluit dat niet uit dat deze stellingen voldoende zijn voor onrechtmatigheid maar onvoldoende voor paulianeus handelen. Ik verwijs naar hetgeen bij 3.5 e.v. is opgemerkt. Het hof heeft kennelijk feitelijk, en niet onbegrijpelijk, geoordeeld dat dit niet allemaal (gestelde) feiten zijn ‘
binnende verrichte rechtshandelingen sec’ (om te spreken met het middel).
subonderdelen I.6 en I.7bouwen op de voorgaande subonderdelen voort en delen dan ook hun lot.
onderdeel 1 van het incidentele middelvan de curator niet vervuld. Ik bespreek dit onderdeel daarom niet.
subonderdeel II.1heeft het hof door te oordelen dat meteen kan worden overgegaan tot een schadebegroting, en wel een begroting ex aequo er bono, en door de schade daadwerkelijk te begroting op basis van de door hem genoemde omstandigheden (1) het beginsel van hoor en wederhoor geschonden en daarmee een verrassingsbeslissing gegeven en (2) de hoofdregel van art. 6:97 BW Pro miskend dat de schade zo nauwkeuring mogelijk moet worden vastgesteld en een begroting schattenderwijs eerst aan bod komt indien concrete berekening niet haalbaar is.
Subonderdeel II.2klaagt ook dat het hof de hoofdregel van art. 6:97 BW Pro heeft geschonden door een schatting ex aequo et bono tot uitgangspunt te nemen. Bovendien acht [eiser 1] onvoldoende gemotiveerd waarom een concrete schadeberekening niet haalbaar is. De veegklacht van
subonderdeel II.3bouwt op de voorgaande subonderdelen voort.
subonderdelen II.1 t/m II.3van het principale middel.
subonderdeel 2.2. Het hof heeft in rov. 4.3.3 geoordeeld dat de curator geen belang heeft bij een afzonderlijke verklaring van recht van onrechtmatig handelen met betrekking tot de panden [d-straat 1] en [c-straat 1-2], nu het hof [eiser 1] en Kameleon heeft veroordeeld een concreet bedrag aan schadevergoeding te betalen. De klacht voert op zichzelf terecht aan dat de curator (mogelijk) wel belang heeft bij de gevorderde verklaring van recht, indien een of meer klachten van onderdeel II van het principale cassatieberoep slagen; die richten zich immers tegen de veroordeling tot betaling van een concreet bedrag aan schadevergoeding. Nu onderdeel II van het principale cassatieberoep echter faalt, ligt subonderdeel 2.2 ook voor afwijziging gereed.
subonderdeel III.3bouwt op de voorgaande subonderdelen voort.
subonderdelen III.1 t/m III.3van het principale middel.
subonderdeel 3.1had het hof Kameleon alsnog in de kosten van de eerste aanleg moeten veroordelen, nu het hof Kameleon in het ongelijk heeft gesteld en er geen compensatie van de kosten op grond van art. 237 Rv Pro kon plaatsvinden. De enkele omstandigheid dat [eiser 1] hoofdelijk is veroordeeld voor dezelfde schade als Kameleon, kan niet ertoe kan leiden dat Kameleon niet alsnog in de proceskosten in eerste aanleg behoorde te worden veroordeeld.
Subonderdeel 3.2klaagt dat het oordeel over de proceskosten onvoldoende gemotiveerd is nu zonder nadere toelichting niet valt in te zien (i) waarom er een grond voor compensatie bestond of (ii) de curator bij een kostenveroordeling van Kameleon onvoldoende belang had omdat de curator zich op Krimat en [eiser 1] kon verhalen.